§ 15. Gevallen die niet vallen onder de betekenissen van de wet die tot nu toe is opgesomd

Uit het overzicht in het vorige hoofdstuk blijkt als algemeen resultaat dat men, hoewel pas geleidelijk en opvallend laat, en niet zonder zich herhaaldelijk te vergissen, twee toepassingen van de wet van de toereikende grond heeft onderscheiden: de ene toepassing betreft oordelen, die, om waar te zijn, altijd een grond moeten hebben, de andere toepassing betreft veranderingen van reële objecten, die altijd een oorzaak moeten hebben. We zien dat in beide gevallen de wet van de toereikende grond het recht geeft om te vragen: "Waarom?", wat een essentiële eigenschap van deze wet is.

Maar zijn deze twee relaties voldoende om alle gevallen te omvatten waarin wij gerechtigd zijn om "Waarom?" te vragen? Stel dat ik vraag: "Waarom zijn in deze driehoek de drie zijden gelijk?" Dan luidt het antwoord: "Omdat de drie hoeken gelijk zijn." Is de gelijkheid van de hoeken dan de oorzaak van de gelijkheid van de zijden? Nee, want hier is geen sprake van een verandering, dus ook niet van een effect dat een oorzaak moet hebben.

Is de gelijkheid van de hoeken dan enkel een kennisgrond? Nee, want de gelijkheid van de hoeken is niet slechts een bewijs van de gelijkheid van de zijden, en evenmin enkel een grond van een oordeel. Uit de begrippen alleen is immers nooit in te zien dat, omdat de hoeken gelijk zijn, ook de zijden gelijk moeten zijn; want in het begrip van gelijke hoeken ligt niet het begrip van gelijke zijden besloten. Hier is dus geen verbinding tussen begrippen of oordelen, maar tussen zijden en hoeken. De gelijkheid van de hoeken is niet rechtstreeks de grond voor de kennis van de gelijkheid van de zijden, maar slechts indirect, omdat het de grond is van het zijn-zodanig, hier het gelijk-zijn, van de zijden. Daarom, omdat de hoeken gelijk zijn, moeten de zijden gelijk zijn. Er is hier een noodzakelijke verbinding tussen hoeken en zijden, niet rechtstreeks een noodzakelijke verbinding tussen twee oordelen.

Of opnieuw, als ik vraag: "Waarom kunnen wel infecta facta worden, maar nooit facta infecta?" Met andere woorden, waarom is het verleden onherroepelijk en de toekomst onvermijdelijk? Dit kan ook niet puur logisch, door middel van begrippen, worden aangetoond. En evenmin is het een kwestie van causaliteit, aangezien causaliteit enkel de gebeurtenissen in de tijd beheerst, niet de tijd zelf.

Het is echter niet door causaliteit, maar rechtstreeks door haar eigen bestaan, waarvan de intrede onvermijdelijk was, dat het huidige uur het voorbije uur in de bodemloze afgrond van het verleden heeft gestort en voor eeuwig tot niets heeft gemaakt. Dit is niet te begrijpen vanuit louter begrippen, noch kan het door hen worden verduidelijkt; we herkennen dit direct en intuïtief, net zoals we het verschil tussen rechts en links direct herkennen, en wat daarvan afhangt, bijvoorbeeld dat de linkerhandschoen niet past aan de rechterhand.

Nu blijkt dus dat niet alle gevallen waarin de wet van de toereikende grond wordt toegepast, terug te voeren zijn op logische grond en gevolg of op oorzaak en gevolg. Daarom kan de indeling die alleen deze twee categorieën bevat, niet voldoen aan het lex speciei [wet van specificatie]. De lex homogeneitatis [wet van homogeniteit] dwingt ons echter te veronderstellen dat deze gevallen niet oneindig verschillend zijn, maar tot bepaalde soorten moeten kunnen worden teruggebracht. Voordat ik deze indeling maak, is het noodzakelijk om vast te stellen wat de eigenaardige eigenschap is die in alle gevallen aan de wet van de toereikende grond eigen is, aangezien het geslachtsbegrip moet worden vastgesteld voordat de soortbegrippen kunnen worden bepaald.

 

§16. De wortel van de wet van de toereikende grond

Ons kennende bewustzijn, dat zich manifesteert als uiterlijke en innerlijke zintuiglijkheid (receptiviteit), verstand en rede, is verdeeld in subject en object, en bevat niets anders. Object zijn voor het subject en onze voorstelling zijn, is hetzelfde. Al onze voorstellingen zijn objecten voor het subject, en alle objecten voor het subject zijn onze voorstellingen. Nu blijkt echter dat al onze voorstellingen onderling in een wetmatige en a priori vast te stellen verbinding staan, waardoor niets dat op zichzelf bestaat en onafhankelijk is, noch iets dat enkelvoudig en geïsoleerd is, een object voor ons kan worden.

Deze verbinding wordt in zijn algemeenheid uitgedrukt door de wet van de toereikende grond. Hoewel deze verbinding, zoals we al uit het voorgaande kunnen afleiden, afhankelijk van de aard van de objecten verschillende vormen aanneemt—waarbij de wet van de grond zijn uitdrukking aanpast aan de specifieke aard van de objecten—blijft er altijd een gemeenschappelijk kenmerk in al deze vormen behouden, namelijk datgene wat onze wet, in algemene en abstracte zin, zegt. De onderliggende relaties, die verderop gedetailleerder zullen worden aangetoond, noem ik de wortel van de wet van de toereikende grond.

Bij nadere beschouwing, volgens de wetten van homogeniteit en specificatie, worden deze relaties gescheiden in duidelijk verschillende categorieën, waarvan het aantal kan worden teruggebracht tot vier, omdat ze corresponderen met de vier klassen waarin alles wat voor ons een object kan worden—dus al onze voorstellingen—verdeeld is. Deze klassen zullen in de volgende vier hoofdstukken worden gepresenteerd en besproken.