§ 17. Algemene verklaring van deze klasse van objecten
De eerste klasse van mogelijke objecten van ons voorstellingsvermogen is die van aanschouwelijke, volledige, empirische voorstellingen. Deze voorstellingen zijn _aanschouwelijk_, in tegenstelling tot louter gedachte, abstracte begrippen; ze zijn _volledig_, in de zin dat ze, volgens Kants onderscheid, niet alleen de formele, maar ook de materiële aspecten van verschijningen bevatten; en ze zijn _empirisch_, enerzijds omdat ze niet voortkomen uit loutere gedachteverbindingen, maar hun oorsprong vinden in een prikkel van de gewaarwording van ons sensitieve lichaam, waarop ze altijd terugverwijzen om hun realiteit te bevestigen. Anderzijds zijn ze empirisch omdat ze, in overeenstemming met de wetten van ruimte, tijd en causaliteit, samenkomen in dat eindeloze en beginloze complex dat onze empirische realiteit vormt.
Hoewel deze voorstellingen, volgens Kants leer, hun transcendentale idealiteit niet verliezen, worden ze hier, waar het om de formele elementen van kennis gaat, uitsluitend als voorstellingen beschouwd.
§ 18. Schets van een transcendente analyse van de empirische werkelijkheid
De vormen van deze voorstellingen zijn die van de innerlijke en uiterlijke zintuiglijkheid: tijd en ruimte. Maar alleen als deze vormen gevuld zijn, kunnen ze waargenomen worden. Hun waarneembaarheid is de materie, waar ik later, evenals in § 21, op zal terugkomen.
Als de tijd de enige vorm van deze voorstellingen was, zou er geen gelijktijdigheid zijn, en daarom niets dat blijft bestaan en geen duur. Want de tijd wordt alleen waargenomen voor zover hij gevuld is, en zijn voortgang wordt alleen herkend door de verandering van wat hem vult. Het blijvende van een object wordt daarom alleen herkend door het contrast met de verandering van andere dingen die gelijktijdig bestaan. De voorstelling van gelijktijdigheid is echter in de tijd alleen niet mogelijk; deze wordt namelijk mede bepaald door de voorstelling van ruimte, omdat in de tijd alles opeenvolgend is, terwijl in de ruimte alles naast elkaar bestaat. Gelijktijdigheid ontstaat dus alleen door de combinatie van tijd en ruimte.
Als daarentegen ruimte de enige vorm van voorstellingen in deze klasse was, zou er geen verandering zijn: want verandering, oftewel transformatie, is de opeenvolging van toestanden, en opeenvolging is alleen mogelijk in de tijd. Daarom kan men de tijd ook definiëren als de mogelijkheid van tegengestelde bepalingen in hetzelfde object.
We zien dus dat de twee vormen van empirische voorstellingen, hoewel ze beide oneindige deelbaarheid en uitgestrektheid gemeen hebben, fundamenteel verschillend zijn. Wat essentieel is voor de een, heeft in de ander geen betekenis: het naast elkaar bestaan heeft geen betekenis in de tijd, terwijl het opeenvolgend bestaan geen betekenis heeft in de ruimte. Desondanks verschijnen de empirische voorstellingen, die behoren tot het geordende geheel van de realiteit, tegelijk in beide vormen, en zelfs is een nauwe vereniging van beide de voorwaarde voor realiteit, die uit deze vormen voortkomt als een product uit zijn factoren.
Wat deze vereniging tot stand brengt, is het verstand. Door zijn eigen, unieke functie verbindt het verstand deze heterogene vormen van zintuiglijkheid, zodat uit hun onderlinge doordringing—hoewel alleen voor het verstand zelf—de empirische realiteit ontstaat. Deze realiteit verschijnt als een totaalvoorstelling, een geheel dat wordt samengehouden door de vormen van de wet van de toereikende grond. Dit geheel heeft problematische grenzen en alle afzonderlijke voorstellingen die tot deze klasse behoren, maken er deel van uit. Ze nemen daarin, volgens bepaalde, ons a priori bewuste wetten, hun plaats in, zodat ontelbare objecten tegelijkertijd bestaan. Dit gebeurt doordat, ondanks de onstuitbare voortgang van de tijd, de substantie, dat wil zeggen de materie, blijft bestaan, en ondanks de starre onbeweeglijkheid van de ruimte, de toestanden van objecten veranderen. In dit geheel, met andere woorden, is de hele objectieve, reële wereld voor ons aanwezig.
De verdere uitwerking van deze in hoofdlijnen gegeven analyse van de empirische realiteit, door een nadere uiteenzetting van de manier waarop door de functie van het verstand deze vereniging en daarmee de ervaringswereld tot stand komt, vindt de geïnteresseerde lezer in _Die Welt als Wille und Vorstellung_, deel I, § 4 (of eerste editie, p. 12 e.v.), waarbij de lezer ook bijzondere aandacht kan schenken aan de bijgevoegde tabel in hoofdstuk 4 van het tweede deel, getiteld _Prädikabilia a priori der Zeit, des Raumes und der Materie_, die een wezenlijke hulp zal zijn. Uit deze tabel blijkt vooral hoe de tegenstellingen van ruimte en tijd zich in de materie, als hun product in de vorm van causaliteit, verenigen.
De functie van het verstand, die de basis vormt van de empirische realiteit, zal spoedig uitvoerig worden beschreven. Maar eerst moeten, door enkele terloopse besprekingen, de onmiddellijke bezwaren worden weggenomen die tegen deze idealistische grondopvatting kunnen worden ingebracht.
§ 19 Directe aanwezigheid van de voorstellingen
Hoewel de vormen van de innerlijke en uiterlijke zintuiglijkheid door het verstand verenigd worden tot de voorstelling van materie en daarmee van een blijvende buitenwereld, kent het subject direct alleen via de innerlijke zintuiglijkheid. De uiterlijke zintuigen zijn namelijk ook objecten van de innerlijke zintuiglijkheid, en deze neemt hun waarnemingen opnieuw waar. Dit betekent dat het subject, wat betreft de onmiddellijke aanwezigheid van voorstellingen in zijn bewustzijn, alleen onderworpen blijft aan de voorwaarden van de tijd, die de vorm is van de innerlijke zintuiglijkheid.[1] Hierdoor kan slechts één duidelijke voorstelling tegelijkertijd aanwezig zijn, hoewel deze zeer complex kan zijn.
Dat een voorstelling onmiddellijk aanwezig is, betekent dat zij niet alleen wordt herkend in de door het verstand uitgevoerde eenheid van tijd en ruimte—deze eenheid creëert de totale voorstelling van de empirische realiteit—maar ook als een voorstelling van de innerlijke zintuiglijkheid in de tijd, op het indifferentiepunt tussen de twee tegengestelde richtingen van de tijd, wat we het heden noemen. De voorwaarde voor de onmiddellijke aanwezigheid van een voorstelling van deze klasse is haar causale invloed op onze zintuigen, en daarmee op ons lichaam, dat zelf behoort tot de objecten van deze klasse en onderworpen is aan de wet van causaliteit, die hierna wordt besproken.
Omdat het subject, volgens de wetten van zowel de innerlijke als de uiterlijke wereld, niet bij één voorstelling kan blijven—en omdat er in de tijd geen gelijktijdigheid is—zal elke voorstelling weer verdwijnen, verdrongen door andere, in een volgorde die niet a priori kan worden bepaald, maar afhangt van bepaalde omstandigheden. Dat fantasie en dromen ook de onmiddellijke aanwezigheid van voorstellingen kunnen reproduceren, is een bekend feit, maar de bespreking hiervan valt onder de empirische psychologie en hoort hier niet thuis.
Hoewel deze voorstellingen vluchtig en afzonderlijk zijn in hun onmiddellijke aanwezigheid in het bewustzijn van het subject, blijft het subject door de functie van het verstand in staat de voorstelling te behouden van een allesomvattend complex van realiteit, zoals eerder beschreven. Door deze tegenstelling hebben mensen de voorstellingen die tot dit complex behoren beschouwd als iets totaal anders dan de voorstellingen die onmiddellijk aanwezig zijn in het bewustzijn. In de eerste hoedanigheid worden ze als reële dingen beschouwd, in de tweede als puur voorstellingen. Deze opvatting—die bekend staat als realisme—kreeg, met de opkomst van de moderne filosofie, steeds meer tegenstand van het idealisme, dat veld won.
Het idealisme werd eerst vertegenwoordigd door Malebranche en Berkeley en bereikte zijn hoogtepunt in Kants transcendentale idealisme. Dit idealisme maakte begrijpelijk hoe de empirische realiteit van de dingen samen kan bestaan met hun transcendentale idealiteit. Kant drukt dit uit in de _Kritik der reinen Vernunft_, waar hij schrijft: "Ik begrijp onder het transcendentale idealisme van alle verschijningen de leerstelling volgens welke wij ze allemaal als louter voorstellingen beschouwen, en niet als dingen op zichzelf." Verder in een voetnoot: "De ruimte is zelf niets anders dan een voorstelling; dus wat in haar is, moet in de voorstelling aanwezig zijn, en in de ruimte is niets, behalve voor zover het werkelijk in haar wordt voorgesteld." (_Kritik des 4. Paralogismus der transz. Psychologie_, p. 369 en 375 van de eerste editie.) Ten slotte zegt hij in de beschouwing die aan dit hoofdstuk is toegevoegd: "Als ik het denkende subject wegneem, moet de hele materiële wereld verdwijnen, aangezien deze niets anders is dan verschijning in de zintuiglijkheid van ons subject, en een soort voorstelling daarvan."
In India is idealisme, zowel in het brahmanisme als in het boeddhisme, zelfs de leer van de volksreligie. Alleen in Europa wordt het, door de wezenlijk en onvermijdelijk realistische joodse basisopvatting, als paradoxaal beschouwd. De realistische benadering vergeet echter dat het zogenaamde bestaan van deze reële dingen niets anders is dan een voorgesteld worden, of, als men erop staat om alleen de onmiddellijke aanwezigheid in het bewustzijn van het subject als een werkelijk "voorgesteld worden" te beschouwen, dan is het slechts een "voorgesteld kunnen worden". De realistische benadering negeert het feit dat een object zonder zijn relatie tot het subject geen object meer is, en dat als men deze relatie wegneemt of ervan abstraheert, elke objectieve existentie onmiddellijk ophoudt te bestaan.
Leibniz, die de afhankelijkheid van het object van het subject goed begreep, maar zich niet kon losmaken van het idee van een op zichzelf staand zijn van de objecten, onafhankelijk van hun relatie tot het subject, nam een wereld van objecten op zichzelf aan die parallel liep aan de wereld van voorstellingen. Deze wereld stond niet direct in verbinding met de wereld van de voorstelling, maar alleen via een _harmonia praestabilita_. Dit is duidelijk een overbodige aanname, aangezien deze wereld zelf nooit waarneembaar is en de daarmee gelijklopende wereld van voorstellingen ook zonder deze aanname kan functioneren. Toen Leibniz vervolgens de essentie van objecten, die op zichzelf objectief zouden bestaan, nader wilde bepalen, kwam hij in de noodzaak deze objecten op zichzelf als subjecten (monaden) te verklaren. Hiermee leverde hij het meest sprekende bewijs dat ons bewustzijn, voor zover het slechts kennend is en zich binnen de grenzen van het intellect—het apparaat voor de wereld van voorstellingen—bevindt, niets anders kan vinden dan subject en object, voorstellend en voorstelling. Daarom kunnen we, als we het object-zijn (voorgesteld worden) van een object abstraheren en het object als zodanig opheffen, uiteindelijk niets anders overhouden dan het subject.
Spinoza, die geen volledige duidelijkheid over deze kwestie bereikte en daarom tot geen scherpe begrippen kwam, had desondanks heel goed begrepen dat de noodzakelijke relatie tussen object en subject essentieel is voor hun denkbaarheid. Daarom stelde hij deze relatie voor als een identiteit van het kennende en het uitgebreide in de ene, enige substantie die bestaat.
Opmerking: In het vervolg van dit werk zal ik, omwille van beknoptheid en duidelijkheid, de term "reële objecten" gebruiken. Dit moet echter niet anders worden begrepen dan de aanschouwelijke voorstellingen die behoren tot het geheel van de empirische realiteit, die op zichzelf altijd idealistisch blijft.
1: Vergelijk _Kritik der reinen Vernunft_, Elementarlehre, Afdeling II, Aantekeningen a, b en c van de eerste editie, p. 33; van de vijfde editie, p. 49.
§ 20 De wet van de toereikende grond van het worden
In de nu beschreven klasse van objecten voor het subject, treedt de wet van de toereikende grond op als wet van de causaliteit, en ik noem hem als zodanig de wet van de toereikende grond van het worden, principium rationis sufficientis fiendi.
Alle objecten die voorkomen in de totale voorstelling, die het geheel van de ervaringswerkelijkheid vormt, zijn met elkaar verbonden wat betreft de in- en uitgang van hun toestanden, en dus in de richting van het verloop van de tijd. Deze wet luidt als volgt: wanneer een nieuwe toestand van één of meer reële objecten intreedt, moet er een andere toestand aan vooraf zijn gegaan, waarop de nieuwe toestand regelmatig volgt, dat wil zeggen, telkens wanneer de eerste toestand aanwezig is. Dit opvolgen wordt een gevolg genoemd, en de eerste toestand de oorzaak, terwijl de tweede toestand het gevolg is. Wanneer bijvoorbeeld een lichaam ontbrandt, moet aan deze toestand van branden zijn voorafgegaan: 1) een affiniteit met zuurstof, 2) contact met zuurstof, en 3) een bepaalde temperatuur. Omdat, zodra deze toestand aanwezig was, de ontbranding onmiddellijk had moeten volgen, maar deze pas nu optreedt, kan die toestand niet altijd aanwezig zijn geweest, maar moet deze pas nu zijn ingetreden. Dit intreden wordt een verandering genoemd. Daarom heeft de wet van de causaliteit uitsluitend betrekking op veranderingen en houdt zich altijd alleen daarmee bezig. Elk gevolg is, bij het intreden, een verandering en wijst, omdat het niet eerder is opgetreden, onfeilbaar op een andere, eraan voorafgaande verandering, die in relatie tot het gevolg de oorzaak wordt genoemd, maar in relatie tot een derde, noodzakelijk eraan voorafgegane verandering weer als gevolg fungeert. Dit is de keten van causaliteit: zij is noodzakelijk zonder begin.
Volgens deze redenering moet elke intredende toestand voortkomen uit een eraan voorafgegane verandering, bijvoorbeeld in ons bovengenoemd geval: de toevoeging van vrije warmte aan een lichaam, wat noodzakelijkerwijs leidt tot een temperatuurstijging. Deze toevoeging van warmte is op zijn beurt weer afhankelijk van een eerdere verandering, bijvoorbeeld het invallen van zonnestralen op een brandglas, en dat weer van het wegtrekken van een wolk uit de richting van de zon; dit door wind; de wind door een ongelijke dichtheid van de lucht; en zo verder, in infinitum. Het is correct om te zeggen dat, wanneer een toestand bijna alle voorwaarden bevat om een nieuwe toestand te laten intreden, en slechts één voorwaarde ontbreekt, deze laatste, zodra die nog wordt toegevoegd, de oorzaak κατ’ ἐξοχήν [bij uitstek] wordt genoemd, aangezien het de laatste en beslissende verandering is. Toch heeft deze laatste voorwaarde geen prioriteit boven de andere bij het bepalen van de causale verbanden in het algemeen. Zo kan in het genoemde voorbeeld het wegtrekken van de wolk weliswaar de oorzaak van de ontbranding worden genoemd, aangezien het later plaatsvindt dan het richten van de brandspiegel op het object. Dit richten had echter ook later kunnen gebeuren dan het wegtrekken van de wolk, en het toelaten van zuurstof zou ook later kunnen plaatsvinden dan dat. Zulke toevallige tijdsbepalingen zijn dan beslissend voor de vraag welke de oorzaak is. Bij nadere beschouwing zien we echter dat de gehele toestand de oorzaak is van het volgende, waarbij het in wezen niet uitmaakt in welke volgorde de bepalingen zijn samengekomen. In een specifiek geval mag men de laatst intredende bepaling van een toestand, omdat deze de reeks van vereiste voorwaarden compleet maakt en haar intrede dus de beslissende verandering wordt, de oorzaak κατ’ ἐξοχήν noemen. Voor de algemene beschouwing echter, moet de gehele toestand die de intrede van de volgende veroorzaakt, als de oorzaak worden beschouwd. De verschillende afzonderlijke bepalingen die samen de oorzaak vormen, kunnen worden aangeduid als de causale momenten, of ook wel de voorwaarden, en de oorzaak kan dus in deze worden opgesplitst. Het is echter volkomen onjuist om niet de toestand, maar de objecten als oorzaak te noemen. In het genoemde voorbeeld zouden sommigen de brandspiegel als oorzaak van de ontbranding beschouwen, anderen de wolk, anderen de zon, en weer anderen het zuurstof, en zo willekeurig, naar believen. Het heeft echter geen enkele zin om te zeggen dat een object de oorzaak van een ander is; ten eerste omdat objecten niet alleen vorm en kwaliteit bevatten, maar ook materie, en deze materie noch ontstaat, noch vergaat. Ten tweede omdat de wet van causaliteit uitsluitend betrekking heeft op veranderingen, dat wil zeggen op het in- en uittreden van toestanden in de tijd, waarbij het de relatie reguleert waarin de vroegere toestand oorzaak wordt genoemd, en de latere toestand gevolg, en hun noodzakelijke verbinding het gevolg is.
De nadenkende lezer verwijs ik hier naar de toelichtingen die ik heb gegeven in de Welt als Wille und Vorstellung, deel 2, hoofdstuk 4, vooral p. 42 en verder. Het is van het hoogste belang dat men een volledig duidelijk en stevig begrip heeft van de ware en eigenlijke betekenis van de wet van causaliteit, evenals van het toepassingsgebied ervan. Het moet vooral helder zijn dat deze wet uitsluitend betrekking heeft op veranderingen in materiële toestanden en absoluut op niets anders; daarom mag zij niet te pas komen waar het niet over dergelijke veranderingen gaat. Ze fungeert namelijk als de regelaar van veranderingen die optreden in de tijd, bij objecten van de uiterlijke ervaring: en deze objecten zijn allemaal materieel. Elke verandering kan alleen optreden doordat een andere, volgens een regel bepaalde, verandering eraan vooraf is gegaan, waardoor zij noodzakelijkerwijs wordt veroorzaakt: deze noodzakelijkheid is de causale samenhang (Kausalnexus).
Zo eenvoudig als de wet van causaliteit is, zo zien we in de filosofische boeken, van de oudste tijden tot de meest recente, dat deze vaak heel anders wordt uitgedrukt, namelijk abstracter en daardoor breder en vager geformuleerd. Daar staat bijvoorbeeld dat de oorzaak datgene is waardoor iets anders in het bestaan komt, of wat iets anders voortbrengt en het werkelijk maakt, enzovoort; zoals Wolf al zegt: causa est principium, a quo existentia, sive actualitas, entis alterius dependet [oorzaak is het beginsel waarvan het bestaan, oftewel de actualiteit, van een ander wezen afhankelijk is], terwijl het bij causaliteit duidelijk alleen gaat om veranderingen van vorm in de ongeschapen en onvernietigbare materie, en een werkelijk ontstaan, een tot-zijn-komen van iets dat daarvoor geheel niet bestond, een onmogelijkheid is. Die traditionele, te brede, foutieve formuleringen van het causaliteitsprincipe zijn deels waarschijnlijk het gevolg van gebrekkig denken; maar er is zeker ook vaak opzet in het spel, namelijk een theologische, die van ver af lonkt naar de kosmologische bewijsvorm, en bereid is deze een dienst te bewijzen door zelfs transcendentale waarheden a priori (de moedermelk van het menselijk verstand) te vervalsen. Het duidelijkste voorbeeld hiervan is te vinden in het boek van Thomas Brown, On the Relation of Cause and Effect, dat 460 pagina’s telt en waarvan al in 1835 de vierde druk verscheen, met waarschijnlijk nog meerdere edities sindsdien. Afgezien van de uitputtende, schoolse breedsprakigheid, behandelt hij zijn onderwerp niet slecht. Deze Engelsman heeft namelijk heel goed begrepen dat het altijd veranderingen zijn waarop de wet van causaliteit betrekking heeft, dat dus elk gevolg een verandering is. Het gevolg hiervan is dat het gehele principe louter de ononderbroken verbinding van de in de tijd opeenvolgende veranderingen is. Maar dat durft hij niet openlijk te erkennen, hoewel het hem onmogelijk ontgaan kan zijn. In plaats daarvan noemt hij telkens, zeer onhandig, de oorzaak een object dat aan de verandering voorafgaat, of een substantie, en met deze geheel foutieve uitdrukking, die al zijn uiteenzettingen bederft, worstelt hij zich door zijn lange boek heen, tegen beter weten en geweten in, alleen maar om ervoor te zorgen dat zijn uiteenzetting het kosmologische bewijs, dat wellicht elders en door anderen ooit zal worden opgesteld, niet in de weg staat. — Hoe moet het gesteld zijn met een waarheid waarvoor men al van verre op slinkse wijze de weg moet bereiden.
Maar wat hebben onze goede, oprechte, geest en waarheid boven alles stellende Duitse filosofieprofessoren dan wel gedaan voor het zo kostbare kosmologische bewijs, nadat Kant het in zijn Kritiek van de zuivere rede de fatale wond had toegebracht? Toen was goede raad duur. Want (ze weten het, die waardigen, ook al zeggen ze het niet) causa prima is net zo goed als causa sui een contradictio in adjecto, hoewel de eerste uitdrukking veel vaker gebruikt wordt dan de laatste, en zelfs met heel serieuze, zelfs plechtige gezichten wordt uitgesproken. Ja, sommigen, vooral Engelse dominees, rollen hun ogen vroom omhoog wanneer ze, met nadruk en ontroering, the first cause_uitspreken—deze _contradictio in adjecto. Ze weten het: een eerste oorzaak is net zo ondenkbaar als het einde van de ruimte, of het moment waarop de tijd begon. Want elke oorzaak is een verandering, waarbij men noodzakelijkerwijs moet vragen naar de voorafgaande verandering die haar teweegbracht, en zo gaat het oneindig door, in infinitum, in infinitum! Zelfs een eerste toestand van de materie is ondenkbaar, aangezien, als die toestand er niet altijd is geweest, alle daaropvolgende toestanden uit hem voortgekomen zouden zijn. Want als hij op zichzelf hun oorzaak was, dan zouden ook zij er al altijd moeten zijn geweest, en zou de huidige toestand niet pas nu optreden. Maar als hij op een bepaald moment begon een oorzaak te worden, dan moet er op dat moment iets veranderd zijn om hem uit zijn rust te halen. Er moet dus iets zijn toegevoegd, een verandering heeft plaatsgevonden, en naar de oorzaak van die verandering, dat wil zeggen, naar een voorafgaande verandering, moeten we onmiddellijk vragen. En zo worden we weer omhoog gedreven op de ladder van oorzaken, voortgestuwd door de onverbiddelijke wet van de causaliteit—in infinitum, in infinitum! (Zouden de heren zich misschien niet zo verlagen om mij over het ontstaan van materie uit niets te spreken? Verderop zullen er nog enkele kanttekeningen volgen om hen daarop te wijzen.) De wet van de causaliteit is dus niet zo behulpzaam als een huurkoetsier die men, zodra men zijn bestemming heeft bereikt, weer naar huis stuurt. Veeleer lijkt het op de bezem van Goethe's Zauberlehrling, die, eenmaal tot leven gebracht, niet meer ophoudt met lopen en water halen, totdat alleen de oude tovenaar zelf hem tot rust kan brengen. Maar de heren zijn stuk voor stuk geen tovenaars. Wat hebben ze dus gedaan, die edele en oprechte vrienden van de waarheid, die altijd alleen maar op hun verdienste in hun vak wachten om, zodra deze zich toont, het aan de wereld te verkondigen? En die, wanneer er iemand komt die werkelijk is wat zij alleen maar pretenderen te zijn, ver van het geniepig zwijgen en laf geheimhouden van zijn werk, het liever prompt aan de grote klok zouden hangen als de herauten van zijn verdienste—zeker, zo zeker als dat de domheid, zoals bekend, de verstandigheid boven alles liefheeft. Wat hebben ze dan gedaan voor hun oude vriend, het zwaar getroffen, ja, al bijna op de rug liggende kosmologische bewijs? O, ze hebben een listige zet bedacht: "Vriend," hebben ze tegen hem gezegd, "het ziet er slecht uit voor je, heel slecht, sinds je fatale ontmoeting met die oude koppige Königsberger; zo slecht, — net als met je broers, het ontologische en het fysicotheologische bewijs. Maar troost je, we laten je niet in de steek (je weet dat we daarvoor betaald worden): alleen, — het kan niet anders, — je moet van naam en kleding veranderen: want als we je bij je naam noemen, rent iedereen weg. Incognito echter nemen we je onder de arm en brengen je weer onder de mensen; alleen, zoals gezegd, incognito: het werkt! Dus eerst: jouw onderwerp draagt voortaan de naam 'het Absolute': dat klinkt vreemd, fatsoenlijk en voornaam, — en we weten maar al te goed hoeveel men met zulke voornaamdoenerij bij de Duitsers kan bereiken: wat ermee bedoeld wordt, begrijpt toch iedereen, en ieder waant zich nog wijs ook. Jijzelf echter treedt vermomd op, in de vorm van een Enthymeme. Al je prosyllogismen en premissen, waarmee je ons altijd de lange klim omhoog sleepte, laat die maar netjes thuis: men weet immers al dat er niets mee is. Maar als een man van weinig woorden, trots, brutaal en voornaam optredend, bereik je met één sprong je doel: 'Het Absolute', roep je (en wij met je), 'dat moet er toch, verdomme, zijn; anders zou er helemaal niets zijn!' (En hier sla je met je vuist op tafel.) Maar waar dat vandaan komt? 'Domme vraag! Heb ik niet gezegd dat het het Absolute is?' — Het werkt, bij onze trouw, het werkt!" De Duitsers zijn gewend om woorden aan te nemen in plaats van begrippen: daartoe zijn ze van jongs af aan door ons gedrild, — kijk maar naar de Hegeliaanse leer, wat is dat anders dan lege, holle, daarbij nog walgelijke woordbrij? En toch, wat een glanzende carrière heeft dat filosofische ministeriële verzinsel gemaakt! Het vergde niets anders dan een paar omkoopbare types om de lof van het slechte in te luiden, en hun stem vond in de holle leegte van duizenden domkoppen een nog steeds echoënd en voortdenderend weerklank: zo werd al snel van een gewone geest, ja, een gewone bedrieger, een grote filosoof gemaakt.
Pak dus moed! Bovendien, vriend en weldoener, steunen we je op andere manieren; zonder jou kunnen we immers niet leven! En toch, hoe glorieus was de carrière van dit filosofische minister-creatuur! Daarvoor was niets anders nodig dan een paar huurlingen om de lof van het slechte te bezingen, en hun stemmen vonden weerklank in de holle leegte van duizenden domkoppen, een echo die nog steeds klinkt en zich voortplant: kijk, zo werd al snel uit een gewone kop, ja een gewone charlatan, een grote filosoof gemaakt. Dus, verzamel moed! Bovendien, vriend en weldoener, zullen we je nog verder steunen; want zonder jou kunnen we niet leven! — Heeft de oude criticaster uit Königsberg de rede bekritiseerd en haar vleugels gekortwiekt; — goed! dan bedenken wij een nieuwe rede, waarvan tot nu toe geen mens ooit iets gehoord heeft, een rede die niet denkt, maar direct aanschouwt, ideeën (een deftig woord, speciaal gemaakt voor mystificatie) aanschouwt, lijfelijk; of ook hoort, direct hoort wat jij en de anderen eerst wilden bewijzen; of — voor hen die maar weinig willen toegeven, maar ook met weinig genoegen nemen — het vermoedt. Vroeg ingeprente volksbegrippen presenteren we als directe ingeving van deze nieuwe rede van ons, dat wil zeggen, eigenlijk als inspiratie van bovenaf. De oude, uitgekritiseerde rede daarentegen, die degraderen we, noemen haar verstand en sturen haar wandelen. En het ware, eigenlijke verstand? — wat, in godsnaam, kan ons dat ware, eigenlijke verstand schelen? — Je glimlacht ongelovig; maar wij kennen ons publiek, en de schare volgelingen die we daar op de banken voor ons hebben. Francis Bacon van Verulam zei het al: "Op universiteiten leren de jonge mensen geloven." Nou, bij ons kunnen ze iets behoorlijk goeds leren! Wij hebben een ruime voorraad geloofsartikelen. — Overvalt je de moedeloosheid, denk dan alleen maar aan het feit dat we in Duitsland zijn, waar iets mogelijk was wat nergens anders ter wereld had gekund, namelijk een geesteloze, onwetende, onzin schrijvende filosoofaster, ik bedoel onze dierbare Hegel, die door middel van ongekend holle woordenkramerij de hoofden van mensen voorgoed en totaal heeft gedesorganiseerd, uit te roepen tot een groot denker en diepe geest: en niet alleen kon dit ongestraft en zonder hoon, maar geloof me, ze geloven het, ze geloven het al 30 jaar lang, tot op de dag van vandaag! — Dus, als we dankzij jou, ondanks Kant en kritiek, eindelijk het Absolutum hebben; dan zijn we gered. — Dan filosoferen we van bovenaf, laten we uit datzelfde Absolutum, door middel van de meest gevarieerde en alleen door hun martelende saaiheid aan elkaar gelijkende deducties, de wereld ontstaan, noemen we deze soms het Eindige, en dat het Oneindige, — wat weer een aangename variatie op de woordenschat biedt, — en praten we altijd alleen maar over God, leggen uit hoe, waarom, waarvoor, en op welke vrijwillige of onvrijwillige manier Hij de wereld heeft gemaakt, of geboren heeft laten worden; of Hij buiten of binnen is, enzovoort; alsof de filosofie theologie was en niet gericht op het verhelderen van de wereld, maar van God.
Het kosmologisch bewijs, waarnaar deze apostrof verwees en waar we ons hier op richten, bestaat eigenlijk in de bewering dat de stelling van het grondprincipe van het worden, of de wet van causaliteit, noodzakelijkerwijs leidt tot een gedachte waarbij deze zelf wordt opgeheven en tot nul en niets wordt verklaard. Want men bereikt de causa prima (het Absolutum) enkel door op te klimmen van gevolg naar oorzaak, door een willekeurig lange reeks; maar men kan daar niet blijven staan zonder het grondprincipe te annuleren. Nu ik hier kort en duidelijk de ongeldigheid van het kosmologisch bewijs heb uiteengezet, net zoals ik dat in het tweede hoofdstuk heb gedaan voor het ontologisch bewijs, zal de geïnteresseerde lezer wellicht ook willen weten wat nodig is om de schijnbaar overtuigende kracht van het fysico-theologische bewijs te bespreken. Echter, dit is hier niet de plek, omdat het onderwerp tot een geheel ander deel van de filosofie behoort. Ik verwijs daarom in eerste instantie naar Kant, zowel in de Kritik der reinen Vernunft als, speciaal, in de Kritik der Urteilskraft, en, om zijn zuiver negatieve aanpak aan te vullen, naar mijn positieve werk, Der Wille in der Natur, een boek dat bescheiden in omvang, maar rijk en betekenisvol is qua inhoud. De niet geïnteresseerde lezer kan deze en al mijn andere geschriften intact aan zijn kleinkinderen doorgeven. Het kan me weinig schelen: want ik ben er niet voor één generatie, maar voor vele.
Aangezien, zoals in de volgende paragraaf wordt aangetoond, de wet van causaliteit ons a priori bewust is en daarom een transcendentale wet vormt, die geldig is voor elke mogelijke ervaring, en dus zonder uitzondering is; en aangezien bovendien diezelfde wet vastlegt dat op een bepaald gegeven, relatief eerste toestand, een tweede, eveneens bepaalde toestand, volgens een regel — dat wil zeggen, altijd — moet volgen; is de relatie tussen oorzaak en gevolg noodzakelijk. Daarom geeft de wet van causaliteit recht op hypothetische oordelen en bevestigt zich hierdoor als een vorm van de stelling van de voldoende grond, waarop alle hypothetische oordelen moeten steunen en waarop, zoals verder zal worden aangetoond, alle noodzakelijkheid is gebaseerd.
Ik noem deze vorm van onze wet de wet van de toereikende grond van het worden, omdat de toepassing ervan overal een verandering, het intreden van een nieuwe toestand, dus een worden, veronderstelt. Tot zijn wezenlijke karakter behoort bovendien dat de oorzaak altijd voorafgaat aan het gevolg, in de tijd (vgl. § 47). En alleen daaraan wordt oorspronkelijk herkend welke van de twee toestanden, die door het causale verband verbonden zijn, de oorzaak en welke het gevolg is. Omgekeerd zijn er gevallen waarin we, uit eerdere ervaring, het causale verband kennen, maar waarbij de opvolging van de toestanden zo snel plaatsvindt dat deze aan onze waarneming ontsnapt: dan concluderen we met volledige zekerheid van de causaliteit naar de opvolging, bijvoorbeeld dat de ontbranding van het kruit voorafgaat aan de explosie. Ik verwijs hierbij naar de »De wereld als wil en voorstelling« deel 2, hoofdstuk 4, p. 41.
Uit deze wezenlijke verbinding van causaliteit met opvolging volgt bovendien dat het begrip van wisselwerking, strikt genomen, ongeldig is. Het veronderstelt namelijk dat het gevolg weer de oorzaak van zijn eigen oorzaak zou zijn, dus dat het navolgende tegelijkertijd het voorafgaande zou zijn geweest. Ik heb de onhoudbaarheid van dit zo populaire begrip uitvoerig uiteengezet in mijn, aan Die Welt als Wille und Vorstellung toegevoegde Kritik der Kantischen Philosophie, op blz. 517-521 van de tweede uitgave, waarnaar ik hierbij verwijs. Men zal opmerken dat auteurs zich doorgaans van dit begrip bedienen zodra hun inzicht troebel begint te worden; daarom wordt het ook zo vaak gebruikt. Ja, wanneer een schrijver volledig zonder ideeën komt te zitten, is er geen woord dat zich sneller aandient dan "wisselwerking"; daarom kan de lezer het zelfs beschouwen als een soort alarmsignaal, dat aangeeft dat men in het bodemloze is afgedwaald. Het is ook opmerkelijk dat het woord "wisselwerking" zich alleen in het Duits bevindt en dat geen enkele andere taal een gangbaar equivalent ervoor heeft.
Uit de wet van causaliteit vloeien twee belangrijke corollaria voort, die daardoor hun bevestiging als a priori kennis verkrijgen, en dus boven elke twijfel verheven en zonder uitzondering geldig zijn: namelijk de wet van traagheid en die van de onveranderlijkheid van de substantie. De eerste stelt dat elke toestand, zowel de rust van een lichaam als elke soort beweging, ongewijzigd, onverminderd en onvermeerderd moet voortduren, en zelfs door de eindeloze tijd heen zou blijven bestaan, tenzij er een oorzaak optreedt die deze verandert of opheft. De tweede, die de eeuwigheid van de materie verklaart, volgt hieruit, omdat de wet van causaliteit alleen betrekking heeft op de toestanden van lichamen — zoals hun rust, beweging, vorm en kwaliteit — en de tijdelijke veranderingen van deze toestanden beheerst; maar absoluut geen betrekking heeft op het bestaan van de drager van deze toestanden, welke, om zijn vrijstelling van elke vorm van ontstaan en vergaan uit te drukken, de naam substantie heeft gekregen. De substantie blijft bestaan, dat wil zeggen: zij kan niet ontstaan noch vergaan, en het in de wereld aanwezige quantum ervan kan dus nooit worden vermeerderd of verminderd. Dat wij dit a priori weten, wordt bevestigd door het bewustzijn van de onwrikbare zekerheid waarmee iedereen, die een gegeven lichaam, hetzij door goocheltrucs, of door verdeling, verbranding, verdamping of welke andere methode dan ook, heeft zien verdwijnen, toch onvoorwaardelijk aanneemt dat, wat er ook van de vorm van het lichaam geworden mag zijn, de substantie ervan — dat wil zeggen de materie — onverminderd aanwezig moet zijn en ergens gevonden kan worden. Eveneens wordt aangenomen dat, wanneer een lichaam dat voorheen niet bestond, gevonden wordt, het ofwel daarheen gebracht is, of uit onzichtbare deeltjes geconcentreerd is, bijvoorbeeld door precipitatie, maar nooit dat het materieel ontstaan kan zijn, wat een absolute onmogelijkheid impliceert en volstrekt ondenkbaar is. De zekerheid waarmee wij dit vooraf (a priori) vaststellen, komt voort uit het feit dat ons verstand totaal geen vorm heeft om het ontstaan of vergaan van materie te denken; omdat de wet van causaliteit, die de enige vorm is waarin wij überhaupt veranderingen kunnen denken, zich altijd alleen richt op de toestanden van lichamen en in geen enkel geval op het bestaan van de drager van al deze toestanden, de materie. Daarom stel ik de wet van de onveranderlijkheid van de substantie op als een corollarium van de causaliteitswet. Ook kunnen we de overtuiging van de onveranderlijkheid van de substantie niet a posteriori hebben verkregen; deels omdat het in de meeste gevallen empirisch onmogelijk is de feiten vast te stellen, deels omdat elke empirische, louter door inductie verkregen kennis altijd slechts approximatief is, en dus onzeker en nooit onvoorwaardelijk. Daarom is de zekerheid van onze overtuiging omtrent dit principe van een geheel andere aard dan de zekerheid omtrent de juistheid van een empirisch ontdekt natuurwet. Onze zekerheid heeft een veel vastere, onwankelbare stevigheid. Dit komt doordat dat principe een transcendentale kennis uitdrukt, wat betekent dat het alle mogelijke ervaring vooraf bepaalt en vaststelt, en daarmee de ervaringswereld reduceert tot een louter verschijnsel in de hersenen. Zelfs de meest algemene en onvoorwaardelijke natuurwet, namelijk die van de zwaartekracht, is van empirische oorsprong en biedt daarom geen garantie voor haar universaliteit. Daarom wordt ze nog weleens betwist, en ontstaan er soms twijfels of de wet ook buiten ons zonnestelsel geldt. Astronomen onderstrepen vaak de aanwijzingen en bevestigingen hiervan, waaruit blijkt dat zij deze wet als louter empirisch beschouwen. Zo kan men bijvoorbeeld de vraag stellen of zwaartekracht ook tussen lichamen zou plaatsvinden die door een absolute leegte zijn gescheiden, of dat deze in een zonnestelsel door een ether wordt overgebracht en daarom niet zou werken tussen vaste sterren. Dit kan alleen empirisch worden vastgesteld, wat bewijst dat we hier niet te maken hebben met a priori kennis. Als we daarentegen, op basis van waarschijnlijkheid, aannemen dat elk zonnestelsel door geleidelijke condensatie van een oernevel is ontstaan volgens de Kant-Laplace-hypothese, kunnen we toch geen moment denken dat die oerstof uit niets is voortgekomen. We moeten aannemen dat de deeltjes daarvan eerder ergens aanwezig waren en slechts bijeen zijn gekomen. Dit komt doordat het principe van de onveranderlijkheid van de substantie een transcendentale waarheid is. Dat substantie overigens slechts een synoniem is voor materie, omdat het begrip alleen in materie gerealiseerd kan worden en dus daaruit voortkomt, heb ik uitgebreid aangetoond. Ik heb ook specifiek uiteengezet hoe dit begrip louter voor misleiding is gecreëerd, in mijn Kritik der Kantischen Philosophie (blz. 550 e.v. van de 2e druk). Deze a priori zekere eeuwigheid van materie (genaamd de onveranderlijkheid van de substantie) is, net als vele andere even zekere waarheden, een verboden vrucht voor de filosofieprofessoren; daarom sluipen ze er met een schuwe blik aan voorbij.
Van de eindeloze keten van oorzaken en gevolgen, die alle veranderingen leidt maar zich nooit daarbuiten uitstrekt, blijven twee entiteiten onaangetast: enerzijds de materie, zoals zojuist aangetoond, en anderzijds de oorspronkelijke natuurkrachten. Materie wordt niet beïnvloed omdat zij de drager is van alle veranderingen, datgene waarin de veranderingen plaatsvinden. De natuurkrachten blijven onaangetast omdat zij datgene zijn waardoor veranderingen, oftewel effecten, überhaupt mogelijk worden. Zij verlenen oorzaken hun causaliteit, dat wil zeggen, het vermogen om effecten te veroorzaken. Oorzaken bezitten dit vermogen dus slechts tijdelijk, als een soort leen. Oorzaak en gevolg zijn verbonden door de noodzakelijke opvolging in de tijd van veranderingen; de natuurkrachten echter, waardoor alle oorzaken werkzaam zijn, zijn vrij van elke verandering en daardoor buiten de tijd. Dit betekent dat zij altijd en overal aanwezig zijn, alomtegenwoordig en onuitputtelijk, altijd klaar om zich te manifesteren zodra de gelegenheid daartoe, geleid door de causaliteitsketen, zich voordoet. De oorzaak is altijd, net als haar gevolg, iets individueels, een enkele verandering; de natuurkracht daarentegen is iets algemeens, onveranderlijks, dat te allen tijde en overal aanwezig is. Bijvoorbeeld, wanneer amber een vlok aantrekt, is dat het effect; de oorzaak hiervan is de eerdere wrijving en de huidige nadering van de amber. De natuurkracht die in dit proces werkzaam is, is elektriciteit. Een uitvoerige uitleg van dit onderwerp met een voorbeeld is te vinden in Die Welt als Wille und Vorstellung, deel I, § 26, blz. 153 en verder. Hierin toon ik aan, via een lange keten van oorzaken en gevolgen, hoe de meest uiteenlopende natuurkrachten opeenvolgend optreden en in werking treden. Dit maakt het verschil tussen oorzaak en natuurkracht, tussen het vluchtige fenomeen en de eeuwige werkingsvorm, zeer duidelijk. Omdat deze hele lange § 26 aan dit onderzoek is gewijd, was het hier voldoende om de zaak kort uiteen te zetten. De norm waaraan een natuurkracht zich houdt in haar verschijning binnen de keten van oorzaken en gevolgen, dat wil zeggen, het verband dat haar aan deze keten verbindt, is de natuurwet. De verwarring tussen natuurkracht en oorzaak is echter zowel frequent als schadelijk voor helder denken. Het lijkt er zelfs op dat deze begrippen vóór mij nooit strikt van elkaar gescheiden zijn, hoewel dit uiterst noodzakelijk is.
Niet alleen worden de natuurkrachten zelf tot oorzaken gemaakt door te zeggen: "De elektriciteit, de zwaartekracht, enz. zijn oorzaken"; sommige mensen maken ze zelfs tot gevolgen door te vragen naar een oorzaak van de elektriciteit, de zwaartekracht, enz., wat absurd is. Iets heel anders is het echter wanneer men het aantal natuurkrachten vermindert door er een op een andere terug te voeren, zoals in onze tijd de magnetisme op de elektriciteit wordt teruggevoerd. Elke echte, dus werkelijk oorspronkelijke natuurkracht, waartoe ook elke chemische basiseigenschap behoort, is wezenlijk een qualitas occulta [verborgen kwaliteit], dat wil zeggen, niet verder vatbaar voor een fysieke verklaring, maar slechts voor een metafysische, dat wil zeggen, een verklaring die verder gaat dan het verschijnsel. Die verwarring of eerder identificatie van de natuurkracht met de oorzaak is echter door niemand zo ver doorgevoerd als door Maine de Biran, in zijn Nouvelles considérations des rapports du physique au moral [Nieuwe beschouwingen over de relaties tussen het fysieke en het morele], omdat dit essentieel is voor zijn filosofie. Opvallend is dat wanneer hij over oorzaken spreekt, hij bijna nooit alleen cause gebruikt, maar telkens zegt cause ou force [oorzaak of kracht], net zoals we eerder in § 8 zagen dat Spinoza acht keer op één pagina ratio sive causa [reden of oorzaak] gebruikte. Beide zijn zich er namelijk van bewust dat zij twee verschillende begrippen aan het identificeren zijn, om afhankelijk van de omstandigheden soms de ene, soms de andere te kunnen laten gelden. Om deze reden zijn zij genoodzaakt de identificatie voortdurend voor de lezer duidelijk te maken. —
De causaliteit, deze leidraad van elke verandering, komt in de natuur in drie verschillende vormen voor: als oorzaak in de meest strikte zin, als prikkel, en als motief. Op deze variatie berust het ware en wezenlijke verschil tussen het anorganische lichaam, de plant en het dier; niet op de uiterlijke anatomische of zelfs chemische kenmerken.
De oorzaak in de strikte zin is die waarnaar uitsluitend de veranderingen in het anorganische rijk plaatsvinden, dus die verschijnselen die het onderwerp zijn van de mechanica, de fysica en de chemie. Alleen voor deze vorm van causaliteit geldt de derde wet van Newton: "Actie en reactie zijn gelijk aan elkaar." Dit betekent dat de voorafgaande toestand (de oorzaak) een verandering ondergaat die in grootte gelijk is aan de verandering die hij heeft teweeggebracht (de werking). Verder is alleen bij deze vorm van causaliteit de graad van de werking altijd precies evenredig aan de graad van de oorzaak, zodat uit de ene de andere berekend kan worden, en omgekeerd.
De tweede vorm van causaliteit is de prikkel: deze heerst over het organische leven als zodanig, dus over dat van planten en het vegetatieve, dus onbewuste deel van het dierlijke leven, dat op zichzelf immers een plantenleven is. Deze vorm kenmerkt zich door de afwezigheid van de kenmerken van de eerste vorm. Hier zijn actie en reactie dus niet gelijk aan elkaar, en volgt de intensiteit van de werking niet noodzakelijkerwijs door alle graden die van de oorzaak. Sterker nog, door de oorzaak te versterken, kan de werking zelfs in zijn tegendeel omslaan.
De derde vorm van causaliteit is het motief: onder deze vorm leidt de causaliteit het eigenlijke dierlijke leven, dat wil zeggen het handelen, oftewel de uiterlijke acties die bewust worden uitgevoerd door alle dieren. Het medium van motieven is de kennis: de ontvankelijkheid voor motieven vereist dus een intellect. Daarom is het ware kenmerk van het dier het vermogen tot herkennen en voorstellen. Een dier beweegt zich, als dier, altijd in de richting van een doel of een oogmerk: dit moet het dier dus herkend hebben, oftewel, het doel moet zich aan het dier presenteren als iets dat van het dier zelf verschilt, maar waarvan het zich toch bewust is. Derhalve kan een dier worden gedefinieerd als "dat wat herkent"; geen andere definitie raakt de essentie zo goed, en misschien is er ook geen andere die zo houdbaar is.
Wanneer het vermogen tot herkenning ontbreekt, ontbreekt noodzakelijkerwijs ook de beweging op basis van motieven: er blijft dan alleen de reactie op prikkels over, oftewel het plantenleven. Daarom zijn prikkelbaarheid en gevoeligheid onlosmakelijk met elkaar verbonden. De werking van een motief is echter duidelijk verschillend van die van een prikkel: de invloed van een motief kan zeer kort zijn, ja, deze hoeft zelfs maar een moment te duren. De effectiviteit van een motief heeft geen verband met de duur ervan, de nabijheid van het object of dergelijke factoren; het motief hoeft alleen maar waargenomen te worden om effect te hebben. Een prikkel daarentegen vereist altijd contact, vaak zelfs interne opname, en altijd een zekere duur om te kunnen werken.
Deze korte uiteenzetting van de drie vormen van causaliteit is hier voldoende. De uitgebreide bespreking ervan is te vinden in mijn prijsessay over de vrijheid (blz. 30-34 van de Beiden Grundprobleme der Ethik). Slechts één punt wil ik hier benadrukken. Het verschil tussen oorzaak, prikkel en motief is kennelijk enkel het gevolg van de mate van ontvankelijkheid van de wezens: hoe groter die ontvankelijkheid, des te subtieler kan de invloed zijn. Een steen moet geduwd worden; een mens gehoorzaamt aan een blik. Beiden worden echter bewogen door een toereikende oorzaak, dus met dezelfde noodzakelijkheid. Want motivatie is slechts causaliteit die door middel van het intellect verloopt: het intellect is het medium van motieven, omdat het de hoogste vorm van ontvankelijkheid vertegenwoordigt. Daardoor verliest de wet van causaliteit absoluut niets aan zekerheid en strengheid. Het motief is een oorzaak en werkt met de noodzakelijkheid die alle oorzaken met zich meebrengen. Bij het dier, waarvan het intellect eenvoudig is en alleen kennis van het heden verschaft, valt die noodzakelijkheid duidelijk op. Het menselijk intellect daarentegen is dubbel: naast de aanschouwelijke kennis heeft het ook nog de abstracte kennis, die niet aan het heden gebonden is; met andere woorden, de mens heeft rede. Daarom heeft hij de mogelijkheid tot wilsbeslissing, met duidelijk bewustzijn: hij kan elkaar uitsluitende motieven als zodanig tegen elkaar afwegen, dat wil zeggen, hij laat deze motieven hun kracht op zijn wil uitoefenen, waarna het sterkste hem bepaalt en zijn handelen met dezelfde noodzakelijkheid plaatsvindt als het rollen van een geduwde bal. De vrijheid van de wil betekent (geen filosofische professorenwoordenbrij, maar) "dat een bepaalde persoon, in een bepaalde situatie, twee verschillende handelingen kan verrichten." Echter, het is volkomen absurd om dit te beweren, en deze waarheid is zo zeker en helder bewezen als enige andere waarheid die buiten het domein van de zuivere wiskunde ligt. Het meest duidelijk, methodisch, diepgaand en met bijzondere aandacht voor de feiten van het zelfbewustzijn—waaraan onwetende mensen bovengenoemde absurditeit willen ophangen—is deze waarheid uiteengezet in mijn door de Koninklijke Noorse Wetenschappelijke Vereniging bekroonde essay over de vrijheid van de wil. In wezen hebben echter reeds Hobbes, Spinoza, Priestley, Voltaire en ook Kant2hetzelfde onderwezen. Dit weerhoudt onze eerbiedwaardige filosofieprofessoren er natuurlijk niet van om onbevangen en alsof er niets is gebeurd, te blijven spreken over de vrijheid van de wil als een uitgemaakte zaak. Waarvoor denken deze heren dat, uit genade van de natuur, de genoemde grote mannen er zijn geweest? — Zodat zij kunnen leven van de filosofie, toch?
— Maar nadat ik in mijn essay de kwestie helderder had uiteengezet dan ooit tevoren, en dat bovendien met de goedkeuring van een Koninklijke Wetenschappelijke Vereniging, die mijn verhandeling ook in haar memoires heeft opgenomen, was het toch, gezien hun bovengenoemde instelling, de plicht van de heren om dergelijke verderfelijke ketterij en dwaling grondig te weerleggen. Dit was des te noodzakelijker omdat ik in dezelfde bundel (»Grundprobleme der Ethik«), in het essay over de grondslagen van de moraal, Kants praktische rede met haar categorische imperatief, die de heren nog steeds onder de naam »zedelijke wet« als fundament van hun oppervlakkige moraalsystemen gebruiken, als een volkomen ongefundeerde en nietige aanname zo onweerlegbaar en helder heb weerlegd, dat geen mens met een greintje oordeel na het lezen ervan nog langer in die fictie kan geloven. — »Nou, dat hebben ze toch zeker wel gedaan?« — Zij zullen zich wel hoeden om het gladde ijs te betreden! Zwijgen, hun mond houden, dat is hun enige talent en hun enige middel tegen geest, verstand, ernst en waarheid. In geen van de sinds 1841 verschenen producten van hun nutteloze schrijfgarigheid is mijn ethiek met een woord genoemd, hoewel het ontegenzeggelijk het belangrijkste is wat er in de afgelopen 60 jaar op het gebied van de moraal gebeurd is. Ja, hun angst voor mij en mijn waarheid is zo groot dat in geen enkele van de door universiteiten of academies uitgegeven literaire tijdschriften het boek zelfs maar vermeld is. Zitto, zitto, zorg dat het publiek niets merkt: dit is en blijft hun hele politiek. Natuurlijk kan deze sluwe tactiek worden toegeschreven aan het instinct tot zelfbehoud. Want moet een filosofie die compromisloos op waarheid is gericht niet de rol spelen van de ijzeren pot te midden van de aardewerken potten, tussen de systemaatjes die onder duizend overwegingen en door lieden met "goede bedoelingen" zijn samengesteld? Hun erbarmelijke angst voor mijn geschriften is angst voor de waarheid. Inderdaad, bijvoorbeeld deze leer van de absolute noodzaak van alle wilsdaden staat in schreeuwende tegenspraak met alle aannames van de populaire, naar het jodendom gesneden 'rokkenfilosofie'. Maar in plaats van dat deze streng bewezen waarheid wordt aangevochten, bewijst zij juist als een vast gegeven en richtsnoer, als een waarachtig Δός μοι ποῦ στῶ [Geef me een plek om te staan.], de nietigheid van die hele 'rokkenfilosofie' en de noodzaak van een grondig andere, veel diepere opvatting van de essentie van de wereld en de mens — of een dergelijke opvatting nu verenigbaar is met de bevoegdheden van filosofieprofessoren of niet.
2:"Wat men ook in metafysische zin voor een idee van de vrijheid van de wil mag koesteren; toch zijn de verschijnselen ervan, de menselijke handelingen, net zo goed als elk ander natuurgebeuren, bepaald volgens algemene natuurwetten." (Ideen zu einer allgemeinen Geschichte). Het begin. — "Alle handelingen van de mens, in hun verschijning, worden bepaald door zijn empirisch karakter en de medewerkende andere oorzaken volgens de orde van de natuur: en als we alle verschijnselen van zijn wilskracht tot op de bodem zouden kunnen onderzoeken, zou er geen enkele menselijke handeling zijn die we niet met zekerheid zouden kunnen voorspellen en als noodzakelijk zouden kunnen herkennen op basis van de voorafgaande omstandigheden. Met betrekking tot dit empirisch karakter is er dus geen vrijheid, en we kunnen de mens alleen op die manier beschouwen als we uitsluitend observeren en, zoals in de antropologie gebeurt, de beweegredenen van zijn handelingen fysiologisch willen onderzoeken." (Kritik der reinen Vernunft, p. 548 van de eerste, en p. 577 van de vijfde editie). — "Men kan dus toegeven dat, als het voor ons mogelijk zou zijn een diepgaand inzicht te hebben in de denkwijze van een mens, zoals die zich zowel door innerlijke als door uiterlijke handelingen manifesteert, en elke, zelfs de kleinste drijfveer daarvan ons bekend zou zijn, evenals alle daarop inwerkende uiterlijke omstandigheden, men iemands gedrag in de toekomst met zekerheid zou kunnen berekenen, net zoals men een maans- of zonsverduistering zou kunnen voorspellen." (Kritik der praktischen Vernunft, p. 230 van de Rosenkranz-editie, en p. 177 van de vierde editie).
§ 21 Aprioriteit van het causaliteitsbegrip - Intellectualiteit van de empirische waarneming - Het verstand
In de professorenfilosofie van de professoren zal men nog steeds vinden dat de waarneming van de buitenwereld een zaak van de zintuigen is; waarna een lange en brede uiteenzetting volgt over elk van de vijf zintuigen. Wat echter ontbreekt, is de intellectuele aard van de waarneming, namelijk dat deze in hoofdzaak het werk van het verstand is, dat door middel van de hem eigen vorm van causaliteit en de daaraan ondergeschikte vorm van de zuivere zintuiglijkheid, dus tijd en ruimte, uit de ruwe stof van enkele sensaties in de zintuigorganen pas deze objectieve buitenwereld schept en voortbrengt. Hiervan is echter geen sprake. En toch heb ik dit reeds in grote lijnen uiteengezet in de eerste editie van het huidige werk uit het jaar 1813, op pagina’s 53-55, en kort daarna, in 1816, volledig uitgewerkt in mijn verhandeling over het zien en de kleuren, waarvan professor Rosas in Wenen zijn waardering heeft betuigd door zich door haar tot plagiaat te laten verleiden; meer informatie hierover is te vinden in Willen in der Natur op pagina 19. De filosofieprofessoren hebben echter van deze, net als van andere grote en belangrijke waarheden, die ik mijn hele leven heb gewijd om ze voor altijd aan de mensheid over te dragen, geen enkele notitie genomen: het bevalt hen niet; het past niet in hun straatje; het leidt niet tot theologie; het is immers helemaal niet bedoeld voor de juiste africhting van studenten voor hogere staatsdoeleinden; kortom, ze willen niets van mij leren en zien niet hoeveel ze van mij zouden kunnen leren: alles wat hun kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen van mij zullen leren. In plaats daarvan zet ieder van hen zich neer om in een lang uitgesponnen metafysica het publiek te verrijken met zijn eigen originele gedachten. Als vingers daartoe recht geven, dan is hij gerechtigd. Maar waarlijk, Machiavelli heeft gelijk als hij zegt—zoals voor hem al Hesiodus (Erga, 293) dat deed—: "Er zijn drie soorten mensen: ten eerste diegenen die uit eigen middelen inzicht en verstand van zaken verkrijgen; dan diegenen die het juiste erkennen wanneer anderen het hen uitleggen; en tenslotte diegenen die noch tot het ene noch tot het andere in staat zijn." (Il Principe, c. 22.) —
Men moet door alle goden verlaten zijn om te geloven dat de aanschouwelijke wereld daarbuiten, zoals zij de ruimte in haar drie dimensies vult en zich in de onverbiddelijk strenge loop van de tijd voortbeweegt, bij elke stap geregeld door de onvoorwaardelijke wet van de causaliteit, in al deze opzichten slechts de wetten volgt die wij, nog vóór enige ervaring daarvan, kunnen opstellen — dat zo’n wereld daarbuiten geheel objectief-real en zonder onze tussenkomst zou bestaan, en dan door de loutere zintuiglijke waarneming in ons hoofd zou terechtkomen, waar zij vervolgens nogmaals zou staan zoals daarbuiten. Want wat een armzalige zaak is toch de loutere zintuiglijke gewaarwording! Zelfs in de edelste zintuigen is het niets meer dan een lokaal, specifiek gevoel dat binnen zijn soort enige variatie kan toelaten, maar op zichzelf altijd subjectief blijft, en dat als zodanig niets objectiefs kan bevatten, dus niets wat lijkt op een aanschouwing. Want de gewaarwording van welke aard dan ook is en blijft een proces in het organisme zelf, dat als zodanig beperkt is tot het gebied onder de huid en daarom op zichzelf nooit iets kan bevatten dat zich buiten die huid, dus buiten ons, bevindt. Het kan aangenaam of onaangenaam zijn — wat een relatie met onze wil uitdrukt — maar niets objectiefs ligt besloten in enige gewaarwording. De gewaarwording in de zintuigen is een verhoogde, door de samenkomst van zenuwuiteinden geprikkelde ervaring, die door de verspreiding en de dunne bedekking ervan gemakkelijk van buitenaf kan worden opgewekt en bovendien bijzonder openstaat voor een bepaalde invloed — licht, geluid, geur — maar zij blijft een loutere gewaarwording, net als elke andere binnen ons lichaam, en is dus iets wezenlijk subjectiefs, waarvan de veranderingen uitsluitend in de vorm van de innerlijke zintuiglijkheid, dus in de tijd alleen, dat wil zeggen, opeenvolgend, tot ons bewustzijn doordringen. Pas wanneer het verstand — een functie, niet van afzonderlijke fijne zenuwuiteinden, maar van het zo kunstig en raadselachtig opgebouwde, drie, uitzonderlijk zelfs vijf pond wegende brein — in werking treedt en zijn enige en eigen vorm, de wet van de causaliteit, toepast, vindt een krachtige verandering plaats, waarbij de subjectieve gewaarwording wordt omgevormd tot de objectieve aanschouwing. Het verstand namelijk vat, door middel van zijn eigen vorm, dus a priori (dat wil zeggen, voorafgaand aan elke ervaring, aangezien deze tot dat moment nog niet mogelijk is), de gegeven gewaarwording van het lichaam op als een werking (een begrip dat het alleen begrijpt), die als zodanig noodzakelijk een oorzaak moet hebben. Tegelijkertijd maakt het gebruik van de eveneens in het intellect, dat wil zeggen in het brein, aanwezige vorm van de uiterlijke zintuiglijkheid, de ruimte, om die oorzaak buiten het organisme te plaatsen. Want pas daardoor ontstaat voor het verstand het "buiten", waarvan de mogelijkheid juist de ruimte is, zodat de zuivere a priori aanschouwing de basis moet vormen voor de empirische. In dit proces gebruikt het verstand, zoals ik straks nader zal toelichten, alle, zelfs de minutieusste gegevens van de gegeven gewaarwording om de oorzaak ervan in de ruimte te construeren. Deze verstandelijke operatie (overigens door Schelling in het eerste deel van zijn Philosophische Schriften uit 1809, p. 237-238, evenals door Fries in zijn Kritik der Vernunft, deel I, p. 52-56 en 290 van de eerste uitgave, uitdrukkelijk ontkend) is echter geen discursieve, reflectieve operatie, in abstracto, door middel van begrippen en woorden; maar een intuïtieve en geheel directe. Want alleen door deze operatie, dus in het verstand en voor het verstand, verschijnt de objectieve, reële wereld die de ruimte in drie dimensies vult, en die zich vervolgens, overeenkomstig dezelfde wet van causaliteit, in de tijd verder verandert en in de ruimte beweegt. Derhalve moet het verstand de objectieve wereld eerst zelf scheppen; zij kan niet reeds vooraf voltooid, door de zintuigen en de openingen van hun organen, simpelweg het hoofd binnentreden. De zintuigen leveren namelijk niets anders dan de ruwe stof, die het verstand eerst middels de genoemde eenvoudige vormen van ruimte, tijd en causaliteit omvormt tot de objectieve waarneming van een volgens wetten geregelde materiële wereld. Zodoende is onze alledaagse, empirische aanschouwing een intellectuele, en verdient zij dit predicaat, dat de filosofische luchtfietsers in Duitsland toekenden aan een vermeende aanschouwing van gefantaseerde werelden, waarin hun geliefde Absolutum zijn evoluties zou uitvoeren. Maar ik wil nu eerst de grote kloof tussen gewaarwording en aanschouwing nader uiteenzetten, door te laten zien hoe ruw het materiaal is waaruit dit prachtige werk voortkomt.
De objectieve aanschouwing wordt eigenlijk slechts door twee zintuigen bediend: de tastzin en het gezicht. Alleen zij leveren de gegevens waarop het verstand, door het beschreven proces, de objectieve wereld laat ontstaan. De andere drie zintuigen blijven grotendeels subjectief: hun gewaarwordingen wijzen weliswaar op een externe oorzaak, maar bevatten geen gegevens om de ruimtelijke verhoudingen daarvan te bepalen. Nu is echter de ruimte de vorm van alle aanschouwing, dat wil zeggen van de apprehensie, waarin objecten zich pas echt kunnen presenteren. Daarom kunnen die drie zintuigen ons weliswaar helpen om de aanwezigheid van reeds anderszins bekende objecten aan te kondigen, maar op basis van hun gegevens komt geen ruimtelijke constructie tot stand, en dus geen objectieve aanschouwing. Uit de geur kunnen we nooit een roos construeren; en een blinde kan zijn hele leven naar muziek luisteren zonder ook maar de minste objectieve voorstelling te krijgen van de musici, de instrumenten, of de luchtvibraties. Het gehoor heeft daarentegen zijn hoge waarde als medium van de taal, waardoor het de zintuig van de rede is, waarvan de naam zelfs daarvan afgeleid is; en bovendien als medium van de muziek, de enige manier om ingewikkelde getalsverhoudingen niet alleen in abstracto, maar ook direct, dus in concreto, te begrijpen. Maar de toon wijst nooit op ruimtelijke verhoudingen en leidt dus nooit naar de aard van zijn oorzaak; we blijven dus bij de toon zelf staan: hij vormt dan ook geen gegeven voor het verstand dat de objectieve wereld construeert. Alleen de gewaarwordingen van de tastzin en het gezicht doen dat: daarom zou een blinde zonder handen en voeten de ruimte wel volledig in zijn wetmatigheid kunnen construeren, maar zou hij slechts een zeer onduidelijke voorstelling van de objectieve wereld krijgen. Toch is wat de tastzin en het gezicht leveren nog allerminst de aanschouwing zelf, maar slechts de ruwe stof daarvoor: want in de gewaarwordingen van deze zintuigen ligt de aanschouwing zo weinig besloten, dat ze zelfs in het geheel geen gelijkenis vertonen met de eigenschappen van de dingen die zich door middel van deze zintuigen aan ons presenteren; zoals ik dadelijk zal aantonen. Men moet hierbij echter duidelijk onderscheiden wat werkelijk tot de gewaarwording behoort van wat het verstand aan de aanschouwing heeft toegevoegd. Dit is aanvankelijk moeilijk, omdat we zo gewend zijn van de gewaarwording onmiddellijk over te gaan naar de oorzaak ervan, dat deze zich aan ons presenteert zonder dat we de gewaarwording, die hier als het ware de premisse vormt voor die conclusie van het verstand, op zichzelf waarnemen.
De tastzin en het gezicht hebben elk hun eigen voordelen, en ondersteunen elkaar daarom wederzijds. Het gezicht heeft geen behoefte aan aanraking, zelfs geen nabijheid: zijn bereik is onmetelijk en reikt tot aan de sterren. Bovendien neemt het de fijnste nuances van licht, schaduw, kleur en transparantie waar. Het levert dus een overvloed aan fijn gedefinieerde gegevens aan het verstand, op basis waarvan dit, na enige oefening, de vorm, grootte, afstand en eigenschappen van objecten construeert en onmiddellijk aanschouwelijk maakt. De tastzin daarentegen is weliswaar gebonden aan aanraking, maar geeft zulke onmiskenbare en veelzijdige gegevens dat het de meest betrouwbare zintuig is. De waarnemingen van het gezicht verwijzen uiteindelijk altijd naar de tastzin; ja, het zicht kan worden beschouwd als een onvolmaakt, maar in de verte reikend tasten, dat gebruikmaakt van lichtstralen als lange taststokken. Om die reden is het ook vatbaar voor vele misleidingen, omdat het volledig beperkt is tot de door licht bemiddelde eigenschappen, en dus eenzijdig is. De tastzin daarentegen levert direct de gegevens voor het begrip van grootte, vorm, hardheid, zachtheid, droogte, vochtigheid, gladheid, temperatuur, enzovoort. Daarbij wordt het ondersteund door de vorm en beweeglijkheid van armen, handen en vingers, waarvan de stand tijdens het tasten het verstand de gegevens levert voor de ruimtelijke constructie van objecten. Daarnaast speelt spierkracht een rol, waarmee het de zwaarte, stevigheid, taaiheid of broosheid van objecten herkent, allemaal met de geringste kans op misleiding.
Bij al deze waarnemingen leveren de gegevens op zich nog geen aanschouwing; de daadwerkelijke aanschouwing blijft het werk van het verstand. Wanneer ik met mijn hand tegen de tafel druk, bevat de gewaarwording die ik daarvan krijg helemaal niet de voorstelling van de stevige samenhang van de delen van deze massa, laat staan iets dat daarop lijkt. Pas wanneer mijn verstand overgaat van de gewaarwording naar de oorzaak daarvan, construeert het een object dat de eigenschap van soliditeit, ondoordringbaarheid en hardheid heeft. Als ik in het donker mijn hand op een oppervlak leg of een bol van ongeveer drie inch diameter vastpak, zijn het in beide gevallen dezelfde delen van mijn hand die de druk voelen. Alleen uit de verschillende positie die mijn hand in beide gevallen aanneemt, construeert mijn verstand de vorm van het object dat de oorzaak is van de gewaarwording, en bevestigt dit door de aanraakpunten te veranderen. Wanneer een blindgeborene een kubusvormig object betast, zijn de gewaarwordingen van zijn hand daarbij volkomen gelijkvormig en hetzelfde aan alle zijden en in alle richtingen. De randen drukken weliswaar op een kleiner deel van zijn hand, maar in deze gewaarwordingen ligt niets dat op een kubus lijkt. Maar vanuit de gevoelde weerstand maakt zijn verstand direct en intuïtief de conclusie dat er een oorzaak is voor deze weerstand, die zich nu daardoor als een stevig object manifesteert. En uit de bewegingen die zijn armen tijdens het tasten maken, terwijl de gewaarwording in zijn handen hetzelfde blijft, construeert hij in de ruimte, waarvan hij zich a priori bewust is, de kubusvorm van het object. Als hij de voorstelling van een oorzaak en van ruimte, samen met de wetten daarvan, niet al in zich droeg, dan zou er nooit uit die opeenvolgende gewaarwordingen in zijn hand het beeld van een kubus kunnen ontstaan. Als men bijvoorbeeld een touw door zijn gesloten hand laat glijden, zou hij als oorzaak van de wrijving en de duur daarvan, in die specifieke positie van zijn hand, een lang, cilindervormig, in één richting gelijkmatig bewegend voorwerp construeren. Nooit zou echter uit die loutere gewaarwording in zijn hand de voorstelling van beweging, dat wil zeggen, de verandering van plaats in de ruimte door middel van de tijd, kunnen ontstaan: zoiets kan immers niet in de gewaarwording zelf besloten liggen, noch kan de gewaarwording dit zelfstandig voortbrengen. Zijn intellect moet dus, vóór elke ervaring, de voorstellingen van ruimte, tijd en daarmee de mogelijkheid van beweging in zich dragen, evenals het begrip van causaliteit, om vervolgens van de louter empirisch gegeven gewaarwording over te gaan naar een oorzaak daarvan, en deze vervolgens als een zich zodanig bewegend voorwerp, met de aangegeven vorm, te construeren. Want hoe groot is de afstand tussen de blote gewaarwording in de hand en de voorstellingen van oorzakelijkheid, materialiteit en de door de tijd bemiddelde beweging in de ruimte! De gewaarwording in de hand, zelfs bij verschillende aanrakingen en posities, is iets veel te uniform en te beperkt in gegevens om daaruit de voorstelling van ruimte met zijn drie dimensies en de interactie van objecten, met eigenschappen als uitgestrektheid, ondoordringbaarheid, cohesie, vorm, hardheid, zachtheid, rust en beweging, kortom, de basis van de objectieve wereld, te construeren. Dit is alleen mogelijk omdat in het intellect zelf de ruimte als vorm van aanschouwing, de tijd als vorm van verandering, en de wet van causaliteit als regelaar van het ontstaan van veranderingen, al vooraf aanwezig zijn. Het reeds bestaande en aan alle ervaring voorafgaande bestaan van deze vormen vormt juist het intellect. Fysiologisch gezien is het een functie van de hersenen, die deze functie niet vanuit ervaring aanleren, net zoals de maag het verteren of de lever de galafscheiding niet eerst moet leren. Alleen hieruit valt te verklaren dat sommige blindgeborenen zo'n volledig begrip van ruimtelijke verhoudingen verkrijgen, dat zij hierdoor het gemis van het zicht in hoge mate kunnen compenseren en verbazingwekkende prestaties leveren; zo heeft bijvoorbeeld honderd jaar geleden de van kinds af aan blinde Saunderson in Cambridge wiskunde, optica en astronomie onderwezen. (Een uitgebreide beschrijving van Saunderson geeft Diderot in Lettre sur les aveugles.) En net zo kan alleen hierdoor het omgekeerde geval van Eva Lauk worden verklaard, die zonder armen en benen werd geboren, maar toch, net als andere kinderen, door enkel haar zicht een correct beeld van de buitenwereld verkreeg. (Het verslag over haar is te vinden in Der Welt als Wille und Vorstellung, deel 2, hoofdstuk 4.) Al deze voorbeelden bewijzen dus dat tijd, ruimte en causaliteit niet door het zicht, noch door de tastzin, noch op enige andere manier van buitenaf in ons komen, maar eerder een innerlijke, en dus niet empirische, maar intellectuele oorsprong hebben; hieruit volgt opnieuw dat de aanschouwing van de materiële wereld in wezen een intellectueel proces is, een werk van het verstand, waarvoor de zintuiglijke waarneming slechts de aanleiding en de gegevens levert, om deze in het specifieke geval toe te passen.
Nu zal ik hetzelfde aantonen met betrekking tot het gezichtsvermogen. Wat hier onmiddellijk wordt gegeven, is beperkt tot de gewaarwording van het netvlies, die weliswaar veel variatie toelaat, maar uiteindelijk neerkomt op de indruk van licht en donker, met hun tussenliggende gradaties, en op de indruk van de eigenlijke kleuren. Deze gewaarwording is volstrekt subjectief, dat wil zeggen, ze bestaat uitsluitend binnen het organisme en onder de huid. Zonder het verstand zouden we ons alleen bewust worden van deze gewaarwordingen als bijzondere en gevarieerde modificaties van onze zintuiglijke ervaring in het oog, zonder enige overeenkomst met de vorm, positie, nabijheid of afstand van dingen buiten ons. Wat bij het zien door de gewaarwording wordt geleverd, is niet meer dan een veelheid van prikkels op het netvlies, vergelijkbaar met het uitzicht op een palet met allerlei gekleurde verfklodders: en niets meer dan dat zou in het bewustzijn overblijven als men, bij iemand die voor een uitgebreide, weelderige omgeving staat, door bijvoorbeeld een verlamming van de hersenen plotseling het verstand zou kunnen ontnemen, maar de gewaarwording zou laten voortbestaan. Dit was namelijk de ruwe stof waaruit zijn verstand eerder die waarneming vormde.
Dat uit zo'n beperkte stof als licht, donker en kleur het verstand, door zijn eenvoudige functie om de werking te relateren aan een oorzaak, en met behulp van de aan hem gegeven waarnemingsvorm van ruimte, de zo onuitputtelijk rijke en veelzijdige zichtbare wereld kan voortbrengen, berust in de eerste plaats op de steun die de gewaarwording zelf biedt. Deze bestaat erin dat, ten eerste, het netvlies als oppervlak een naast elkaar bestaan van indrukken toelaat; ten tweede, dat licht altijd in rechte lijnen werkt en ook in het oog zelf rechtlijnig wordt gebroken; en ten derde, dat het netvlies het vermogen heeft om ook de richting waarin het door licht wordt getroffen direct waar te nemen, wat waarschijnlijk alleen te verklaren is doordat de lichtstraal de dikte van het netvlies binnendringt. Hierdoor wordt echter bereikt dat de eenvoudige indruk ook al de richting van zijn oorzaak aangeeft, dus rechtstreeks wijst naar de locatie van het object dat het licht uitzendt of reflecteert. De overgang naar dit object als oorzaak veronderstelt echter al de kennis van het oorzaak-gevolg-verband, evenals de wetten van de ruimte: beide zijn echter de uitrusting van het intellect, dat hier opnieuw de taak heeft om uit de eenvoudige gewaarwording de waarneming te creëren. Hoe het verstand hierbij te werk gaat, zullen we nu nader onderzoeken.
Het eerste wat het verstand doet, is de indruk van het object, die omgekeerd op het netvlies aankomt, weer rechtop zetten. Deze oorspronkelijke omkering ontstaat, zoals bekend, doordat de lichtstralen van elk punt van het zichtbare object rechtlijnig in alle richtingen worden uitgezonden. De stralen die van de bovenkant van het object komen, kruisen bij de smalle opening van de pupil met de stralen die van de onderkant komen, waardoor deze boven en die onder op het netvlies terechtkomen. Evenzo komen de stralen van de rechterkant van het object links aan, en omgekeerd. Het brekingsapparaat van het oog, bestaande uit het kamervocht, de lens en het glasachtig lichaam, dient enkel om de lichtstralen van het object zodanig te concentreren dat ze op het beperkte oppervlak van het netvlies passen. Als het zien slechts bestond uit gewaarwording, zouden we de indruk van het object omgekeerd waarnemen, omdat we die zo ontvangen. Bovendien zouden we het object als iets binnenin het oog waarnemen, omdat we ons zouden beperken tot de gewaarwording zelf. In werkelijkheid treedt echter onmiddellijk het verstand in werking met zijn wet van causaliteit, en het relateert de waargenomen indruk aan de oorzaak. Het krijgt van de gewaarwording de informatie over de richting waarin de lichtstraal binnenkwam, volgt deze terug naar de oorzaak, en loopt als het ware de kruisende lijnen in omgekeerde richting af. Hierdoor wordt de oorzaak buiten ons als object in de ruimte rechtopgesteld weergegeven, namelijk in de positie waarin het de stralen uitzendt, niet in de positie waarin ze binnenkwamen (zie fig. 1). De puur intellectuele aard van dit proces, zonder enige andere, met name fysiologische, verklaringsgronden, kan bovendien nog worden bevestigd door het feit dat, als men zijn hoofd tussen de benen steekt, of op een helling ligt met het hoofd naar beneden, men de dingen toch niet ondersteboven ziet, maar ze juist correct waarneemt. Dit ondanks het feit dat nu het deel van het netvlies dat normaal de onderkant van de dingen registreerde, nu de bovenkant ontvangt, en alles omgekeerd is — behalve het verstand.
Het tweede wat het verstand doet bij de omzetting van gewaarwording naar waarneming, is dat het de twee afzonderlijke indrukken tot één enkel beeld maakt. Elk oog ontvangt immers voor zich een indruk van het object, zelfs in enigszins verschillende richtingen, maar het object wordt desondanks als enkelvoudig weergegeven. Dit proces kan alleen in het verstand plaatsvinden. De wijze waarop dit gebeurt, is als volgt. Onze ogen staan alleen parallel wanneer we in de verte kijken, dat wil zeggen op een afstand van meer dan 200 voet. In alle andere gevallen richten we beide ogen op het te bekijken object, waardoor ze convergeren. De twee lijnen die van elk oog naar het nauwkeurig gefixeerde punt van het object lopen, vormen daar een hoek, de zogenaamde optische hoek, en die lijnen worden de oogassen genoemd. Bij een recht voor ons liggend object raken deze lijnen precies het midden van elk netvlies, namelijk op twee corresponderende punten in elk oog. Op dat moment herkent het verstand, dat altijd de oorzaak van alles zoekt, dat hoewel de indruk dubbel is, deze toch van slechts één extern punt afkomstig is. Er ligt dus maar één oorzaak aan ten grondslag, en daarom verschijnt deze oorzaak nu als een enkelvoudig object. Aangezien we echter niet slechts één punt, maar een aanzienlijk oppervlak van het object met beide ogen waarnemen en toch slechts één enkelvoudig beeld zien, moet deze verklaring verder worden uitgebreid. Wat zich in het object zijdelings van het kruispunt van de optische hoek bevindt, werpt zijn stralen niet meer precies op het midden van elk netvlies, maar zijdelings daarvan. In beide ogen vallen deze stralen echter op dezelfde, bijvoorbeeld de linkerzijde van het netvlies. De plekken waar de stralen in elk oog terechtkomen, zijn symmetrisch en corresponderen dus met elkaar, net zoals de middelpunten. Het verstand leert deze overeenkomende punten snel kennen en past daarop zijn causale interpretatieregel toe. Het verwijst dus niet alleen de lichtstralen die het midden van elk netvlies treffen naar hetzelfde punt in het object dat de stralen uitzendt, maar ook de stralen die op de overige, symmetrisch corresponderende punten van beide netvliezen vallen. Het beschouwt dus ook al deze punten, en daarmee het hele object, als enkelvoudig. Hierbij is het belangrijk op te merken dat niet de buitenkant van het ene netvlies correspondeert met de buitenkant van het andere en de binnenkant met de binnenkant, maar dat de rechterzijde van het ene netvlies overeenkomt met de rechterzijde van het andere, enzovoort. Dit moet dus geometrisch, niet fysiologisch, worden opgevat. Duidelijke en uiteenlopende figuren die dit proces en de bijbehorende fenomenen verklaren, zijn te vinden in Robert Smith's Optics, en gedeeltelijk ook in Kästners Duitse vertaling van 1755. Ik heb in Fig. 2 slechts een figuur opgenomen, die eigenlijk een specifiek geval illustreert dat later besproken zal worden, maar die ook kan dienen om het geheel te verduidelijken, mits men het punt R buiten beschouwing laat. Overeenkomstig richten wij beide ogen altijd op hetzelfde object, zodat de stralen van dezelfde punten van het object op de symmetrisch corresponderende plekken van beide netvliezen vallen. Wanneer de ogen zijwaarts, omhoog, omlaag en in alle richtingen bewegen, raakt het punt van het object dat eerst het midden van elk netvlies trof telkens een andere, maar altijd in beide ogen corresponderende plaats. Als we een object nauwkeurig bekijken (perlustrare), laten we onze ogen erover glijden om elk punt ervan na elkaar in contact te brengen met het midden van het netvlies, dat het scherpst ziet. We betasten het object dus als het ware met onze ogen. Hieruit blijkt dat het enkelvoudig zien met twee ogen in wezen vergelijkbaar is met het betasten van een object met tien vingers. Elke vinger krijgt een andere indruk en in een andere richting, maar het verstand herkent al deze indrukken als afkomstig van hetzelfde object en construeert op basis daarvan de vorm en grootte ervan in de ruimte. Hierop is het mogelijk gebaseerd dat een blinde beeldhouwer kan zijn. Zo was de bekend geworden Joseph Kleinhanns[3] , die sinds zijn vijfde blind was, een beeldhouwer die in 1853 in Tirol stierf. Dit komt omdat het verstand altijd betrokken is bij de waarneming, ongeacht van welke zintuiglijke gegevens het afhankelijk is.
Wanneer ik echter een bol aanraak met gekruiste vingers, heb ik onmiddellijk de indruk twee bollen te voelen. Dit komt doordat mijn verstand, dat altijd teruggaat naar de oorzaak en deze volgens de wetten van de ruimte construeert, ervan uitgaat dat de natuurlijke positie van de vingers behouden blijft. Als zowel de buitenkanten van de middel- en wijsvinger tegelijk een boloppervlak raken, moet mijn verstand deze aanraking toeschrijven aan twee verschillende bollen. Op dezelfde manier verschijnt een gezien object dubbel wanneer mijn ogen niet meer gelijkmatig convergeren en de optische hoek op één punt van dat object sluiten, maar wanneer elk oog het object onder een andere hoek bekijkt, dat wil zeggen, wanneer ik scheel kijk. In dat geval worden de stralen die uit één punt van het object komen, niet meer op symmetrisch corresponderende plekken op de netvliezen geprojecteerd. Deze plekken heeft mijn verstand door voortdurende ervaring leren herkennen. In plaats daarvan raken ze nu heel andere plekken, die, wanneer de ogen normaal gericht zijn, alleen door verschillende objecten op die manier beïnvloed kunnen worden. Daarom zie ik nu twee objecten, omdat de waarneming door en in het verstand plaatsvindt. — Hetzelfde gebeurt zonder scheelzien wanneer twee objecten zich op verschillende afstanden van mij bevinden en ik mijn ogen op het verre object focus, waarbij ik de optische hoek op dat object sluit. In dit geval zullen de stralen die van het dichterbij gelegen object komen, niet op symmetrisch corresponderende plekken op de netvliezen terechtkomen, waardoor mijn verstand ze aan twee verschillende objecten zal toeschrijven. Met andere woorden, ik zal het dichterbij gelegen object dubbel zien. (Zie Fig. 2) Als ik daarentegen de optische hoek sluit op het dichterbij gelegen object door mijn ogen daarop te richten, dan zal, om dezelfde reden, het verder gelegen object me dubbel verschijnen. Om dit te testen, kan men eenvoudigweg een potlood op twee voet afstand van het oog houden en afwisselend naar het potlood en naar een object ver daarachter kijken.
Maar het mooiste is dat men ook het omgekeerde experiment kan uitvoeren, waarbij men met beide ogen wijd open naar twee echte objecten kijkt die recht voor hen staan, en toch slechts één object ziet. Dit bewijst des te treffender dat de waarneming geenszins in de zintuiglijke gewaarwording ligt, maar door een handeling van het verstand tot stand komt. Men neme twee kartonnen buizen, elk ongeveer 8 duim lang en 1 1/2 duim in diameter, en bevestige ze perfect parallel, op de manier van een binoculair telescoop. Bevestig dan een muntstuk van acht groschen voor de opening van elke buis. Wanneer men nu door de andere kant van de buizen naar de muntstukken kijkt, terwijl men ze tegen de ogen houdt, zal men slechts één muntstuk waarnemen, omsloten door een buis. Doordat de buizen de ogen dwingen om geheel parallel te blijven, wordt het licht dat door beide muntstukken in het centrum van het netvlies en de symmetrisch corresponderende delen daaromheen valt, volledig gelijkmatig ontvangen door beide ogen. Het verstand, dat gewoonlijk en noodzakelijkerwijs uitgaat van de convergerende positie van de oogassen bij nabijgelegen objecten, beschouwt de lichtweerkaatsing als afkomstig van slechts één object, en daarom zien wij er slechts één. Dit toont aan hoe direct de kausale apprehensie van het verstand werkt.
De fysiologische verklaringen van het enkelzien één voor één weerleggen, is hier niet mogelijk vanwege ruimtegebrek. Hun onjuistheid blijkt echter al uit de volgende overwegingen:
- Als het enkelzien gebaseerd zou zijn op een organische samenhang, zouden de op beide netvliezen corresponderende punten, waarvan het enkelzien aantoonbaar afhankelijk is, de organisch gelijknamige zijn. Maar zoals al eerder vermeld, is dit enkel geometrisch het geval. Organisch corresponderen namelijk de binnenste en buitenste ooghoeken en alles overeenkomstig; voor het enkelzien corresponderen echter de rechterkant van het rechter netvlies met de rechterkant van het linker netvlies, enzovoort, zoals uit de aangehaalde fenomenen onweerlegbaar blijkt. Juist omdat het hier om iets intellectueels gaat, hebben alleen de intelligentste dieren, zoals de hogere zoogdieren, roofvogels, vooral uilen, en anderen, ogen die zo zijn geplaatst dat ze beide assen op één punt kunnen richten.
- De hypothese die Newton als eerste formuleerde (in zijn Optics, vraag 15), over de samenkomst of gedeeltelijke kruising van de oogzenuwen vóór hun binnenkomst in de hersenen, is al fout omdat dan het dubbelzien door scheelzien onmogelijk zou zijn. Bovendien hebben Vesalius en Caesalpinus anatomische gevallen gerapporteerd waarin helemaal geen vermenging of zelfs geen contact van de oogzenuwen plaatsvond, terwijl de personen in kwestie toch enkel zagen. Ten slotte spreekt tegen die vermenging van de indruk het feit dat, wanneer men bijvoorbeeld met het linker oog in de zon kijkt terwijl het rechter oog stevig gesloten is, het na afloop aanhoudende verblindingsbeeld alleen in het linker oog zichtbaar is, en niet in het rechter, of vice versa.
Het derde aspect waarmee het verstand de zintuiglijke waarneming omzet in aanschouwing, is dat het uit de tot nu toe verkregen oppervlakken lichamen construeert, en dus de derde dimensie toevoegt. Dit gebeurt doordat het verstand de omvang van de lichamen in deze dimensie, binnen de a priori bewust ervaren ruimte, beoordeelt op basis van de aard van hun werking op het oog en de gradaties van licht en schaduw. Terwijl de objecten de ruimte in alle drie dimensies vullen, kunnen ze op het oog slechts in twee dimensies inwerken: de waarneming tijdens het zien is, door de aard van het orgaan, uitsluitend tweedimensionaal (planimetrisch), niet driedimensionaal (stereometrisch). Alles wat driedimensionaal aan de aanschouwing is, wordt door het verstand toegevoegd: de enige gegevens hiervoor zijn de richting waarin het oog de indruk ontvangt, de grenzen daarvan, en de verschillende gradaties van licht en schaduw, die direct naar hun oorzaken wijzen en ons laten onderscheiden of we bijvoorbeeld een schijf of een bol voor ons hebben. Deze verstandelijke bewerking wordt, net als de voorgaande, zo snel en direct uitgevoerd dat alleen het resultaat ervan in het bewustzijn doordringt. Daarom is projectietekenen zo'n moeilijke taak, die alleen kan worden opgelost volgens wiskundige principes en die men moet leren, hoewel het niets anders doet dan de weergave van de zintuiglijke waarneming tonen zoals deze zich aan deze derde verstandelijke bewerking als gegeven aanbiedt, dat wil zeggen het zicht in zijn tweedimensionale uitgestrektheid, waarbij het verstand direct de derde dimensie toevoegt, zowel bij het bekijken van de tekening als bij het aanschouwen van de realiteit. Zo'n tekening is een soort schrift, die net als drukwerk, door velen gelezen maar door weinigen geschreven kan worden. Dit komt doordat ons beschouwende verstand de effecten slechts waarneemt om de oorzaak ervan te construeren, maar zelf dat effect direct uit het oog verliest. Daarom herkennen we bijvoorbeeld onmiddellijk een stoel, in elke mogelijke positie en ligging, maar hem in welke positie dan ook tekenen, behoort tot de kunst die abstraheert van deze derde verstandelijke bewerking, om slechts de gegevens van die bewerking aan de kijker voor te leggen voor zijn eigen uitvoering. Dit is, zoals gezegd, in eerste instantie de kunst van het projectietekenen, maar in bredere zin de schilderkunst. Het schilderij levert lijnen, getrokken volgens perspectivische regels, lichte en donkere plekken, naar gelang de werking van licht en schaduw, en uiteindelijk kleurvlekken, waarvan de kwaliteit en intensiteit zijn afgeleid uit de ervaring. De toeschouwer leest deze af door aan dezelfde effecten de vertrouwde oorzaken te koppelen. De kunst van de schilder bestaat erin de gegevens van de waarneming bij het zien, zoals ze zijn vóór deze derde verstandelijke bewerking, bewust vast te leggen, terwijl wij anderen, zodra we daarvan gebruik hebben gemaakt, ze terzijde schuiven zonder ze in ons geheugen op te slaan. We zullen deze hier beschouwde derde verstandelijke bewerking nog nader leren kennen, terwijl we nu overgaan naar een vierde, die nauw verwant is en de derde tevens verduidelijkt.
Deze vierde verstandelijke bewerking bestaat namelijk uit het herkennen van de afstand van objecten tot ons: en dit is precies de derde dimensie, waarboven over gesproken is. De waarneming bij het zien levert ons wel, zoals reeds gezegd, de richting waarin de objecten zich bevinden, maar niet de afstand, en dus ook niet hun exacte locatie. De afstand moet dus eerst door het verstand worden afgeleid en moet daarom voortkomen uit louter causale bepalingen. De voornaamste hiervan is de gezichts- of kijkhoek, waaronder het object wordt waargenomen. Toch is deze op zichzelf volstrekt dubbelzinnig en kan hij niets beslissend aangeven. Het is als een woord met twee betekenissen: men moet eerst uit de context afleiden welke betekenis bedoeld wordt. Want bij dezelfde kijkhoek kan een object klein en dichtbij zijn, of groot en ver weg. Alleen wanneer de grootte van het object ons op een andere manier al bekend is, kunnen we aan de hand van de kijkhoek de afstand ervan inschatten, en omgekeerd, als de afstand ons anderzijds bekend is, de grootte. De lineaire perspectief is gebaseerd op het afnemen van de kijkhoek naarmate de afstand toeneemt, waarvan de basisprincipes hier eenvoudig kunnen worden afgeleid. Omdat namelijk ons gezichtsvermogen in alle richtingen even ver reikt, zien we eigenlijk alles alsof het zich bevindt op een holle bol, waarvan het oog zich in het centrum bevindt. Deze bol heeft ten eerste een oneindig aantal doorsnede-cirkels in alle richtingen, en de hoeken, waarvan de delen van deze cirkels de maat aangeven, zijn de mogelijke kijkhoeken. Ten tweede wordt deze bol, al naargelang we de straal ervan langer of korter aannemen, groter of kleiner: we kunnen hem daarom ook voorstellen als bestaande uit een oneindig aantal concentrische, doorzichtige holle bollen. Omdat alle stralen van een centraal punt divergeren, worden de concentrische holle bollen groter naarmate ze verder van ons verwijderd zijn, en daarmee nemen ook de graden van hun doorsnede toe, evenals de werkelijke grootte van de objecten die deze graden innemen. Deze objecten zijn daarom, afhankelijk van of ze eenzelfde deel van een grotere of kleinere bol innemen, bijvoorbeeld 10°, groter of kleiner, terwijl hun kijkhoek in beide gevallen hetzelfde blijft. Dit laat dus onbeslist of het gaat om 10° van een bol met een diameter van 2 mijl of 10 voet, waarin het object zich bevindt. Wanneer de grootte van dit object vaststaat, neemt het aantal graden dat het inneemt af naarmate de bol, waarop we het projecteren, verder weg ligt en dus groter is; in dezelfde mate zullen de grenzen van het object dichter bij elkaar komen. Hieruit volgt de basisregel van alle perspectief: aangezien objecten en de tussenruimten in constante verhouding met de afstand kleiner moeten worden, waardoor alle grenzen samenkomen, zal het resultaat zijn dat met toenemende afstand alles boven ons naar beneden, alles onder ons naar boven, en alles aan de zijkanten naar elkaar toe convergeert. Zolang we een ononderbroken reeks van zichtbare, onderling verbonden objecten voor ons hebben, kunnen we de afstand inderdaad herkennen aan deze geleidelijke convergentie van alle lijnen, dus door de lineaire perspectief. Daarentegen kunnen we de afstand niet enkel op basis van de kijkhoek bepalen; in dat geval moet het verstand altijd nog een ander gegeven gebruiken dat als een soort commentaar op de kijkhoek fungeert, en preciezer aanduidt welk aandeel de afstand hierin heeft. Deze gegevens zijn hoofdzakelijk vier in aantal, en ik zal ze nu nader toelichten. Dankzij deze factoren gebeurt het, zelfs wanneer ik geen gebruik kan maken van lineaire perspectief, dat hoewel een mens die 100 voet van mij verwijderd is in een 24 keer kleinere kijkhoek verschijnt dan wanneer hij op 2 voet afstand staat, ik toch in de meeste gevallen onmiddellijk zijn juiste grootte begrijp. Dit alles bewijst opnieuw dat de waarneming intellectueel is en niet enkel zintuiglijk. — Een specifiek en interessant bewijs voor het hier uiteengezette fundament van de lineaire perspectief, evenals voor de intellectualiteit van de waarneming in het algemeen, is het volgende. Wanneer ik, als gevolg van langdurig kijken naar een gekleurd object met een specifieke omtrek, bijvoorbeeld een rood kruis, het fysiologische kleurspectrum daarvan, dus een groen kruis, in mijn oog heb, zal dit des te groter lijken naarmate het oppervlak waarop ik het laat vallen verder weg is, en des te kleiner naarmate dat dichterbij is. Het spectrum zelf neemt namelijk een bepaald en onveranderlijk deel van mijn netvlies in, namelijk de plek die eerst door het rode kruis werd geprikkeld. Wanneer deze plek naar buiten wordt geprojecteerd, d.w.z. wordt opgevat als de uitwerking van een extern object, creëert ze een vaste kijkhoek van bijvoorbeeld 2°. Verplaats ik nu deze (waar geen enkel commentaar op de kijkhoek van toepassing is) naar een verafgelegen oppervlak, waarmee ik het onvermijdelijk identificeer als behorend tot het effect ervan, dan zijn het 2° van een grote bol die het inneemt, en dus is het kruis groot. Laat ik het spectrum daarentegen op een dichtbijgelegen object vallen, dan vult het 2° van een kleine bol en is het kruis dus klein. In beide gevallen blijkt de waarneming volkomen objectief te zijn, net zoals bij een extern object, en dit bewijst, doordat het volledig uit een subjectieve oorzaak voortkomt (het spectrum, dat op een heel andere manier wordt opgewekt), de intellectualiteit van alle objectieve waarneming. — Over dit fenomeen (dat ik me levendig en gedetailleerd herinner voor het eerst in 1815 te hebben opgemerkt) is in de Comptes rendus van 2 augustus 1858 een artikel te vinden van de heer Séguin, die dit presenteert als een nieuwe ontdekking en daarbij allerlei kromme en onzinnige verklaringen geeft. De heren illustere collega's stapelen bij elke gelegenheid experimenten op experimenten, en hoe ingewikkelder, hoe beter. Alleen maar expérience! is hun leus; maar een beetje juist en oprecht nadenken over de waargenomen fenomenen is zelden te vinden: expérience, expérience! en daarbij nog onzin.
Tot de genoemde aanvullende gegevens (subsidiarische Datis), die als toelichting dienen op de gegeven kijkhoek, behoren ten eerste de mutationes oculi internae, oftewel de interne veranderingen van het oog, waardoor het zijn optische brekingsapparaat aanpast aan verschillende afstanden door de breking te vergroten of te verkleinen. Wat deze veranderingen fysiologisch precies inhouden, is echter nog steeds niet definitief vastgesteld. Men heeft deze veranderingen zowel in de vergroting van de convexiteit van de cornea als die van de lens gezocht. Toch lijkt de nieuwste theorie, die in grote lijnen al door Kepler werd uitgesproken, het meest waarschijnlijk. Volgens deze theorie trekt de lens zich terug bij het ver kijken en wordt naar voren geschoven bij het kijken naar nabijgelegen objecten, waarbij ze door zijdelingse druk sterker gewelfd wordt. Dit mechanisme is dus analoog aan dat van een operakijker. Deze theorie wordt uitvoerig behandeld in A. Hueck's verhandeling Die Bewegung der Krystallinse (1841). Hoe dan ook, van deze interne veranderingen van het oog hebben we, hoewel geen duidelijke waarneming, toch een zekere gewaarwording, en deze gebruiken we direct om de afstand te schatten. Aangezien deze veranderingen echter alleen dienst doen om het volledig duidelijke zien mogelijk te maken van ongeveer 7 duim (ca. 18 cm) tot 16 voet (ca. 5 meter), is dit gegeven voor het verstand slechts binnen deze afstand toepasbaar.
Daarnaast wordt het tweede gegeven van toepassing, namelijk de reeds eerder genoemde optische hoek, die gevormd wordt door de twee oogassen en die eerder bij het enkelzien werd uitgelegd. Het is duidelijk dat deze hoek kleiner wordt naarmate het object verder weg ligt en groter naarmate het dichterbij is. Dit verschil in de richting van de ogen naar elkaar toe gaat gepaard met een bepaalde, subtiele gewaarwording, die echter alleen in het bewustzijn komt voor zover het verstand deze gebruikt als gegeven bij zijn intuïtieve beoordeling van de afstand. Dit gegeven maakt niet alleen de afstand, maar ook de precieze locatie van het object duidelijk, dankzij de parallax van de ogen. Deze parallax houdt in dat elk oog het object vanuit een iets andere richting waarneemt, waardoor het lijkt te verschuiven wanneer men een oog sluit. Daarom is het bijvoorbeeld lastig om met één gesloten oog een kaars te trimmen, omdat dit gegeven dan ontbreekt. Zodra het object echter op 200 voet (ca. 60 meter) of verder weg ligt, richten de ogen zich parallel en verdwijnt de optische hoek volledig, zodat dit gegeven alleen binnen de genoemde afstand bruikbaar is.
Naast deze gegevens krijgt het verstand hulp van de luchtperspectief, die door het geleidelijke vervagen van alle kleuren, het verschijnen van een fysiek blauw voor alle donkere objecten (volgens Goethes volledig juiste en ware kleurentheorie), en het vervagen van de contouren, een grotere afstand aankondigt. Dit gegeven is in Italië, vanwege de grote doorzichtigheid van de lucht, zeer zwak; daarom kan het ons daar gemakkelijk misleiden. Zo lijkt bijvoorbeeld Tivoli, gezien vanuit Frascati, veel dichterbij dan het daadwerkelijk is. Daarentegen verschijnen in mist, die een abnormale versterking van dit gegeven vormt, alle objecten groter omdat het verstand ze als verder weg beschouwt. Ten slotte blijft er nog de schatting van de afstand door middel van de ons intuïtief bekende afmetingen van de tussenliggende objecten, zoals velden, rivieren, bossen, enzovoort. Dit is alleen toepasbaar wanneer er een ononderbroken verbinding is, en dus alleen op aardse objecten, niet op hemelse objecten. Over het algemeen zijn we meer geoefend in het gebruik van deze schattingsmethode in horizontale richting dan in verticale richting; daarom lijkt een bol op een toren van 200 voet hoog veel kleiner dan wanneer hij op de grond 200 voet van ons af staat, omdat we in het laatste geval de afstand nauwkeuriger kunnen inschatten. Wanneer mensen ons te zien komen op een manier waarbij het grootste deel van wat zich tussen hen en ons bevindt verborgen blijft, lijken ze ons vaak opvallend klein.
Deels door deze laatste schattingsmethode, die, zoals gezegd, alleen geldig is voor aardse objecten en in horizontale richting toepasbaar is, en deels door de luchtperspectief, die zich in dezelfde situatie bevindt, komt het dat ons beschouwende verstand alles richting de horizon als verder weg beschouwt, en dus ook als groter, dan in verticale richting. Daarom lijkt de maan aan de horizon zoveel groter dan op zijn hoogste punt, terwijl zijn zorgvuldig gemeten gezichtsveld, en dus het beeld dat hij op het oog werpt, op dat moment helemaal niet groter is. Dit verklaart ook waarom het hemelgewelf er afgeplat uitziet, dat wil zeggen horizontaal meer uitgestrekt dan verticaal. Beide fenomenen zijn dus puur intellectueel of cerebraal, niet optisch of zintuiglijk. Het bezwaar dat de maan soms troebel lijkt wanneer hij op zijn hoogtepunt staat, maar dan niet groter lijkt, kan worden weerlegd door te wijzen op het feit dat de maan op dat moment ook niet rood lijkt, omdat de vertroebeling daar wordt veroorzaakt door grovere dampen en dus van een andere aard is dan die door de luchtperspectief. Ook komt dit doordat we, zoals gezegd, deze schattingsmethode alleen in horizontale richting toepassen, en in deze positie andere correcties in werking treden. Saussure zou, vanaf de Mont Blanc, de opkomende maan zo groot hebben gezien dat hij hem niet herkende en van schrik flauwviel.
Daarentegen berust de werking van de telescoop en de loep op de geïsoleerde schatting van de grootte door de afstand, en de afstand door de grootte, puur op basis van de gezichtsafstand. Hierbij worden de vier andere, aanvullende schattingsmiddelen uitgesloten. De telescoop vergroot het beeld in werkelijkheid, maar lijkt het alleen dichterbij te brengen. Dit komt doordat de grootte van objecten ons empirisch bekend is, en we hun vermeende grotere omvang verklaren door de verminderde afstand. Zo lijkt bijvoorbeeld een huis, gezien door de telescoop, niet tien keer groter, maar tien keer dichterbij. De loep daarentegen vergroot niet werkelijk, maar maakt het ons alleen mogelijk om het object zo dicht bij het oog te brengen als we anders niet zouden kunnen doen. Het object lijkt dan alleen zo groot als het zou doen als het zonder loep op diezelfde korte afstand van het oog zou worden waargenomen. Normaal gesproken beperkt de te geringe convexiteit van de lens en het hoornvlies ons om duidelijk te zien op een afstand van minder dan 8 tot 10 duim van het oog. Verhoogt de loep echter de breking door zijn eigen convexiteit in plaats van die van het oog, dan kunnen we, zelfs op een afstand van een halve duim, nog een duidelijk beeld krijgen. Het object, dat in zo'n kleine afstand en in zijn bijbehorende grootte wordt gezien, plaatst ons verstand in de natuurlijke afstand voor duidelijk zicht (dus 8 tot 10 duim van het oog) en schat vervolgens, op basis van deze afstand en de gegeven gezichtsafstand, zijn grootte in.
Ik heb al deze processen die betrekking hebben op het zien zo uitgebreid uiteengezet om duidelijk en onweerlegbaar aan te tonen dat hierin voornamelijk het verstand werkzaam is. Het verstand vat namelijk elke verandering op als een gevolg en brengt deze in verband met haar oorzaak, waarbij het, op basis van de apriorische basisvormen van ruimte en tijd, het hersenfenomeen van de objectieve wereld tot stand brengt. De zintuiglijke waarneming levert hierbij slechts enkele gegevens. Het verstand voert deze taak uitsluitend uit door middel van zijn eigen vorm, namelijk de wet van causaliteit. Dit gebeurt geheel direct en intuïtief, zonder hulp van reflectie, dat wil zeggen zonder gebruik te maken van abstracte kennis, begrippen of woorden, welke het materiaal vormen van secundaire kennis, oftewel het denken, en dus van de rede.
Deze onafhankelijkheid van de verstandelijke kennis ten opzichte van de rede en haar ondersteuning blijkt ook uit het feit dat, wanneer het verstand eenmaal een onjuiste oorzaak toeschrijft aan gegeven gevolgen en deze daardoor direct aanschouwt, wat de verkeerde schijn oproept, de rede de ware situatie in abstracto correct kan herkennen, maar desondanks niet kan ingrijpen. Ondanks deze betere kennis blijft de verkeerde schijn onverminderd aanwezig. Zulke schijn is bijvoorbeeld het eerder besproken dubbelzien en dubbel voelen, als gevolg van het verplaatsen van de zintuiglijke organen uit hun normale positie; eveneens de grotere verschijning van de maan aan de horizon; het beeld in het brandpunt van een holle spiegel, dat zich volledig als zwevend, solide object voordoet; het geschilderde reliëf, dat we voor echt aanzien; de beweging van de oever of brug waarop we staan, terwijl een schip voorbijvaart; hoge bergen die veel dichterbij lijken vanwege het gebrek aan luchtperspectief, wat een gevolg is van de zuiverheid van de atmosfeer op hun toppen; en honderden soortgelijke verschijnselen. In al deze gevallen neemt het verstand de gebruikelijke, vertrouwde oorzaak aan en aanschouwt deze direct, hoewel de rede via andere middelen de juiste toestand heeft vastgesteld. Dit helpt echter het verstand niet, omdat het ontoegankelijk is voor de uitleg van de rede, aangezien het in zijn kennis aan de rede voorafgaat. Daardoor blijft de verkeerde schijn, dat wil zeggen het misleidende beeld van het verstand, onveranderd bestaan, ook al wordt de vergissing, oftewel de misleiding van de rede, voorkomen. Wat door het verstand correct wordt herkend, is de realiteit; wat door de rede correct wordt herkend, is de waarheid, dat wil zeggen een oordeel dat gegrond is: aan de ene kant staat de schijn (het verkeerd aanschouwde), aan de andere kant de vergissing (het verkeerd gedachte).
Hoewel het formele deel van de empirische waarneming, zoals de wet van causaliteit, evenals ruimte en tijd, a priori in het intellect aanwezig is, wordt de toepassing ervan op empirische data niet tegelijkertijd meegegeven. Deze wordt pas verworven door oefening en ervaring. Daarom ontvangen pasgeboren kinderen weliswaar licht- en kleurindrukken, maar kunnen ze nog niet de objecten waarnemen en feitelijk zien. De eerste weken bevinden ze zich in een toestand van verdoving, die geleidelijk verdwijnt zodra hun verstand begint zijn functie uit te oefenen op de gegevens van de zintuigen, met name het gevoel en het gezicht. Hierdoor begint de objectieve wereld geleidelijk tot hun bewustzijn door te dringen. Deze ontwikkeling is duidelijk te herkennen aan het intelligenter worden van hun blik en een zekere opzet in hun bewegingen, vooral wanneer ze voor het eerst door middel van een vriendelijke glimlach tonen dat ze hun verzorgers herkennen. Men kan ook observeren dat kinderen nog lange tijd experimenteren met het zien en voelen om hun waarneming van objecten onder verschillende belichtingen, richtingen en afstanden te verbeteren, en dat ze als het ware een stille, maar serieuze studie uitvoeren totdat ze alle hierboven beschreven verstandelijke operaties van het zien hebben geleerd. Dit leerproces is echter veel duidelijker vast te stellen bij mensen die op latere leeftijd blind geboren zijn en aan hun waarnemingen verslag uitbrengen. Sinds Cheselden’s beroemde blinde patiënt (waarvan het oorspronkelijke verslag te vinden is in de Philosophical Transactions, Vol. 35) is dit vaak opnieuw voorgekomen. Iedere keer bleek dat deze mensen, die pas op latere leeftijd het gebruik van hun ogen verkregen, weliswaar direct na de operatie licht, kleuren en contouren zagen, maar nog geen objectieve waarneming van de objecten hadden. Hun verstand moest eerst leren hoe het zijn causaliteitswet toepaste op de nieuwe data en de veranderingen daarvan. Toen Cheselden’s blinde voor het eerst zijn kamer met de verschillende objecten erin zag, kon hij niets onderscheiden en had hij slechts een totale indruk, alsof het een geheel uit één stuk bestaande oppervlakte was. Hij beschouwde het als een gladde, verschillend gekleurde vlakke structuur. Het kwam niet in hem op om afzonderlijke, op verschillende afstanden geplaatste en achter elkaar geschoven objecten te herkennen. Voor deze herstelde blinden moesten hun tastzin en de reeds bekende objecten via het zien aan hen worden gepresenteerd en ingevoerd. Aanvankelijk hadden ze geen besef van afstanden en grepen naar alles. Eén patiënt kon niet geloven dat de grote kamers zich in het kleine huisje dat hij zag bevonden. Een ander was zeer verheugd toen hij, enkele weken na de operatie, de ontdekking deed dat de gravures aan de muur allerlei objecten voorstelden. In het Morgenblatt van 23 oktober 1817 werd melding gemaakt van een blindgeborene die op 17-jarige leeftijd het gezichtsvermogen kreeg. Hij moest het begrijpelijk waarnemen eerst leren, herkende geen enkel hem door tast bekende object als hij het met zijn ogen zag en verwarde bijvoorbeeld geiten met mensen. De tastzin moest eerst elke afzonderlijke waarneming aan het gezicht leren. Ook had hij aanvankelijk geen enkel oordeel over de afstanden van de objecten die hij zag en greep naar alles. — Franz zegt in zijn boek The Eye: A Treatise on the Art of Preserving this Organ in Healthy Condition, and of Improving the Sight (London, Churchill 1839) op pagina’s 34-36: "Een duidelijk idee van afstand, evenals van vorm en grootte, wordt alleen verkregen door het zien en aanraken, en door te reflecteren op de indrukken die door beide zintuigen worden gemaakt; maar voor dit doel moeten we ook rekening houden met de spierbewegingen en de vrijwillige bewegingen van het individu." — Caspar Hauser 4), in een gedetailleerd verslag van zijn eigen ervaring op dit gebied, stelt dat het hem bij zijn eerste bevrijding uit gevangenschap, telkens wanneer hij door het raam naar buiten keek naar objecten zoals de straat, de tuin, enz., leek alsof er een luik vlak bij zijn oog zat, bedekt met verwarde kleuren van allerlei soorten, waarin hij niets afzonderlijks kon herkennen of onderscheiden. Hij zegt verder dat hij pas na enige tijd tijdens zijn wandelingen buiten overtuigde dat wat aanvankelijk op hem als een kleurrijk luik overkwam, evenals vele andere objecten, in werkelijkheid heel andere dingen waren. Uiteindelijk verdween het luik en zag hij alle dingen in hun juiste verhoudingen. Mensen die blind geboren zijn en op latere leeftijd door een operatie hun gezichtsvermogen verkrijgen, denken soms dat alle objecten hun ogen raken en zo dicht bij hen liggen dat ze bang zijn ertegenaan te botsen; soms springen ze naar de maan, in de veronderstelling dat ze deze kunnen vastpakken; op andere momenten rennen ze achter de wolken aan die langs de lucht bewegen om ze te vangen, of ze begaan andere dergelijke buitensporigheden. Aangezien ideeën worden verkregen door reflectie op sensaties, is het verder noodzakelijk dat, in alle gevallen, om een nauwkeurig idee van objecten te vormen vanuit het zicht, de vermogens van de geest onaangetast en ongestoord functioneren. Een bewijs hiervan is te vinden in het voorbeeld dat Haslam 5) geeft van een jongen die geen visuele gebreken had, maar verstandelijk zwak was, en die op zijn zevende jaar nog steeds niet in staat was om afstanden van objecten in te schatten, vooral wat betreft hoogte. Hij stak bijvoorbeeld vaak zijn hand uit naar een spijker in het plafond of naar de maan, in een poging die te pakken. Het is dus het oordeel dat dit idee, of de perceptie van zichtbare objecten, corrigeert en verduidelijkt.
Fysiologische bevestiging van het hier uiteengezette intellectuele karakter van de waarneming wordt gegeven door Flourens in De la vie et de l'intelligence (Tweede editie, Parijs, Garnier Frères, 1858). Op pagina 49, onder de titel Opposition entre les tubercules et les lobes cérébraux, zegt Flourens: "Er moet een groot onderscheid worden gemaakt tussen de zintuigen en de intelligentie. Het verwijderen van een tuberkel leidt tot het verlies van de sensatie, het zichtvermogen; het netvlies wordt ongevoelig, de iris onbeweeglijk. Het verwijderen van een hersenlob laat de sensatie, het zintuig, de gevoeligheid van het netvlies, en de beweeglijkheid van de iris intact; alleen de perceptie wordt vernietigd. In het ene geval is het een zintuiglijke gebeurtenis, in het andere een cerebrale gebeurtenis; in het ene geval is het het verlies van het zintuig, in het andere het verlies van de perceptie. Het onderscheid tussen percepties en sensaties is een groot resultaat; en het wordt zichtbaar gedemonstreerd. Er zijn twee manieren om het zicht te verliezen via de hersenen: 1° via de tuberkels, wat het verlies van het zintuig en de sensatie betekent; 2° via de lobben, wat het verlies van perceptie en intelligentie betekent. Gevoeligheid is dus niet gelijk aan intelligentie, en denken is dus niet hetzelfde als voelen; en daar wordt een hele filosofie omvergeworpen. Het idee is dus niet de sensatie; en dat is nog een ander bewijs van het fundamentele tekort van die filosofie." Verder zegt Flourens op pagina 77, onder de titel Séparation de la sensibilité et de la perception: "Er is een van mijn experimenten die duidelijk het onderscheid maakt tussen gevoeligheid en perceptie. Wanneer het eigenlijke brein (lobben of cerebrale hemisferen) van een dier wordt verwijderd, verliest het dier het zicht. Maar wat betreft het oog verandert er niets: objecten blijven zich afbeelden op het netvlies; de iris blijft samentrekken, en de oogzenuw blijft perfect gevoelig. En toch ziet het dier niet meer; er is geen zicht meer, hoewel alle sensatie nog steeds bestaat; er is geen zicht meer omdat er geen perceptie meer is. Waarnemen, en niet voelen, is dus het eerste element van intelligentie. Perceptie is een deel van intelligentie, want het gaat verloren met intelligentie, en door het verwijderen van hetzelfde orgaan, de lobben of de cerebrale hemisferen; terwijl gevoeligheid geen deel uitmaakt, omdat het blijft bestaan na het verlies van intelligentie en het verwijderen van de lobben of de cerebrale hemisferen."
Dat de intellectuele aard van de waarneming in het algemeen al door de ouden werd ingezien, blijkt uit het beroemde vers van de oude filosoof Epicharmus: νοῦς ὁρᾷ καὶ νοῦς ἀκούει τ’ ἄλλα κωφὰ καὶ τυφλά. Plutarch, die dit (de sollert. animal: c.3) aanhaalt, voegt daaraan toe: ὡς τοῦ περὶ τὰ ὄμματα καὶ ὦτα πάθους, ἂν μὴ πάρῃ τὸ φρονοῦν, αἴσθησιν οὐ ποιοῦντος (quia affectio oculorum et aurium nullum affert sensum, intelligentia absente) en zegt kort daarvoor: Στράτωνος τοῦ φυσικοῦ λόγος ἐστίν, ἀποδεικνὺς ὡς οὐδ' αἰσθάνεσθαι τὸ παράπαν ἄνευ τοῦ νοεῖν ὑπάρχει (Stratonis physici exstat ratiocinatio, qua ›sine intelligentia sentiri omnino nihil posse‹ demonstrat). [Stratonis’ fysieke bewijsvoering toont aan dat zonder intelligentie niets kan worden waargenomen.]
Eumaie, το σοφόν ἐστιν οὐ καθ' ἕν μόνον,
ἀλλ' ὅσα περ ζῇ, πάντα καὶ γνώμην ἔχει.
(Eumaee, sapientia non uni tantum competit, sed quaecunque vivunt etiam intellectum habent.)
[Eumaee, wijsheid behoort niet slechts aan één ding, maar alles wat leeft, bezit verstand.] Ook Porphyrius (de abstinentia, III, 21) spant zich in om uitvoerig aan te tonen dat alle dieren verstand hebben.
Dat dit zo is, volgt noodzakelijk uit de intellectuele aard van de waarneming. Alle dieren, tot aan de laagste soorten toe, moeten verstand hebben, d.w.z. kennis van de wet van causaliteit, zij het in zeer verschillende gradaties van fijnheid en duidelijkheid; maar altijd op zijn minst zoveel als vereist is voor de waarneming met hun zintuigen: want zintuiglijke waarneming zonder verstand zou niet alleen een nutteloos, maar ook een wreed geschenk van de natuur zijn. Niemand zal het verstand van hogere dieren, tenzij hij er zelf aan ontbreekt, in twijfel trekken. Maar ook dat hun kennis van causaliteit werkelijk a priori is en niet slechts voortkomt uit de gewoonte van het zien dat het ene op het andere volgt, wordt soms onweerlegbaar duidelijk. Een heel jonge hond springt niet van de tafel, omdat hij het gevolg anticipeert. Kort geleden had ik in mijn slaapkamer grote gordijnen laten ophangen, tot aan de grond reikend, van het soort dat in het midden opengaat als men aan een koord trekt. Toen ik dit voor het eerst deed, 's ochtends bij het opstaan, merkte ik tot mijn verrassing dat mijn zeer slimme poedel verwonderd stond te kijken en op en neer, en zijwaarts keek, op zoek naar de oorzaak van het fenomeen. Hij zocht dus naar de verandering waarvan hij a priori wist dat die eraan voorafgegaan moest zijn. Hetzelfde herhaalde zich de volgende ochtend. Maar ook de laagste dieren, zelfs de zoetwaterpoliep, die geen aparte zintuigen heeft, wanneer hij op zijn waterplant van blad naar blad trekt om in lichter water te komen en zich met zijn armen vastklampt, heeft waarneming, en dus verstand.
Dat dit zo is, volgt noodzakelijkerwijs uit de intellectuele aard van de aanschouwing. Alle dieren, tot aan de laagste toe, moeten verstand hebben, dat wil zeggen, kennis van de wet van causaliteit, zij het in zeer verschillende graden van scherpte en duidelijkheid; maar altijd ten minste zoveel als nodig is voor de aanschouwing met hun zintuigen: want gewaarwording zonder verstand zou niet alleen een nutteloos, maar ook een wreed geschenk van de natuur zijn. Het verstand van de hogere dieren zal niemand, die er zelf niet aan ontbreekt, in twijfel trekken. Maar ook dat hun kennis van causaliteit werkelijk a priori is, en niet slechts uit de gewoonte voortkomt om dit na dat te zien volgen, blijkt soms onmiskenbaar. Een heel jonge hond springt niet van de tafel af, omdat hij het gevolg anticipeert. Onlangs had ik in mijn slaapkamer grote gordijnen laten ophangen, die tot op de grond reikten, van het type dat in het midden uiteen gaat wanneer men aan een touwtje trekt: toen ik dit voor het eerst deed, ’s ochtends bij het opstaan, merkte ik tot mijn verbazing dat mijn zeer slimme poedel verwonderd bleef staan en opkeek, zijwaarts en omhoog, op zoek naar de oorzaak van het verschijnsel, dus de verandering zocht waarvan hij a priori wist dat deze eraan voorafgegaan moest zijn: hetzelfde herhaalde zich de volgende ochtend. — Maar ook de laagste dieren, zelfs nog de zoetwaterpoliep, zonder afzonderlijke zintuiglijke organen, wanneer hij, zich vastklampend met zijn armen, van blad naar blad kruipt om in lichter water te komen, heeft waarneming, en dus verstand.
En het verstand van de mens, dat we duidelijk van zijn rede moeten onderscheiden, verschilt van dat van de laagste dieren slechts in gradatie; terwijl alle tussenliggende niveaus worden ingevuld door de reeks van dieren, waarvan de hoogste leden, zoals de aap, olifant en hond, ons door hun verstand in verbazing brengen. Maar steeds blijft de prestatie van het verstand bestaan in het direct begrijpen van de causale verbanden, eerst, zoals getoond, tussen het eigen lichaam en de andere objecten, waaruit de objectieve aanschouwing voortkomt; vervolgens tussen deze objectief aanschouwde objecten onderling, waar nu, zoals we in de vorige paragraaf zagen, het causaliteitsverhaal onder drie verschillende vormen optreedt: namelijk als oorzaak, als prikkel en als motief, volgens welke drie vormen alle bewegingen in de wereld plaatsvinden en alleen door het verstand worden begrepen. Als het nu de oorzaken in de striktste zin zijn die het verstand opspoort, dan schept het mechanica, astronomie, fysica, chemie, en het uitvinden van machines, ten goede en ten kwade: maar altijd ligt ten grondslag aan al zijn ontdekkingen, in laatste instantie, een directe intuïtieve perceptie van de causale samenhang. Want dit is de enige vorm en functie van het verstand, en beslist niet het ingewikkelde raderwerk van de twaalf Kantiaanse categorieën, waarvan ik de nietigheid heb aangetoond. — Al het begrijpen is een directe en dus intuïtieve perceptie van het causale verband, hoewel het direct in abstracte begrippen moet worden omgezet om het te fixeren. Daarom is rekenen geen begrijpen en levert het op zichzelf geen begrip van de zaken. Dit verkrijgt men alleen via aanschouwing, door een juiste kennis van de causaliteit en geometrische constructie van het proces; zoals Euler dit beter heeft weergegeven dan wie dan ook, omdat hij de zaken vanaf de basis begreep. Rekenen daarentegen houdt zich bezig met louter abstracte grootheidsbegrippen en legt hun verhouding tot elkaar vast. Daardoor verkrijgt men nooit enig inzicht in een fysiek proces. Want daarvoor is een aanschouwelijke perceptie van de ruimtelijke verhoudingen vereist, door middel waarvan de oorzaken werken. Rekenen bepaalt het hoeveel en hoe groot, en is daarom onmisbaar voor de praktijk. Men kan zelfs zeggen: waar het rekenen begint, houdt het begrijpen op: want het hoofd dat zich bezighoudt met getallen, is tijdens het rekenen volledig vervreemd van de causale samenhang en de geometrische constructie van het fysieke proces: het bevindt zich uitsluitend in abstracte getalsbegrippen. Het resultaat echter zegt nooit meer dan "hoeveel", maar nooit "wat". Met l'expérience et le calcul, dit motto van de Franse natuurkundigen, komt men dus helemaal niet ver genoeg. — Zijn daarentegen de prikkels de leidraad van het verstand, dan zal hij de fysiologie van planten en dieren, therapieën en toxicologie ontwikkelen. Heeft hij zich uiteindelijk gericht op de motivatie, dan zal hij die ofwel louter theoretisch als leidraad gebruiken om moraal, rechtstheorie, geschiedenis, politiek, maar ook dramatische en epische poëzie voort te brengen; of hij zal er praktisch gebruik van maken, hetzij om slechts dieren te dresseren, hetzij zelfs om de mensheid naar zijn pijpen te laten dansen, nadat hij bij elke pop het draadje heeft gevonden waaraan getrokken kan worden om haar naar believen te laten bewegen. Of hij nu de zwaartekracht van lichamen door middel van mechanica zo handig benut, dat de werking daarvan precies op het juiste moment zijn doel dient, of dat hij net zo de gemeenschappelijke of individuele neigingen van mensen voor zijn doeleinden gebruikt, in termen van de functie die daarbij werkzaam is, blijft het hetzelfde. In deze praktische toepassing wordt het verstand sluwheid genoemd, en als het samengaat met het bedriegen van anderen, wordt het ook wel listigheid genoemd; als zijn doelen zeer onbeduidend zijn, noemt men het slimheid; en als het gepaard gaat met het nadeel van anderen, spreekt men van geslepenheid. In zijn louter theoretische gebruik heet het gewoon verstand, maar in hoge mate wordt het scherpzinnigheid, inzicht, waakzaamheid of doordringendheid genoemd; zijn tekort aan deze kwaliteiten heet dan daarentegen stompzinnigheid, domheid, dwaasheid, enz. Deze zeer verschillende gradaties van scherpte zijn aangeboren en niet te leren, hoewel oefening en kennis van het onderwerp altijd nodig zijn voor een goed gebruik ervan, zoals we al hebben gezien bij zijn eerste toepassing, namelijk de empirische waarneming. Redeneren kan elke dommerik: geef hem de premissen en hij trekt de conclusie. Maar het verstand levert de primaire, en dus intuïtieve, kennis, en daarin liggen de verschillen. In overeenstemming hiermee is de kern van elke grote ontdekking, evenals van elk plan met wereldhistorische impact, het resultaat van een gelukkige ingeving, waarin door een samenspel van gunstige externe en interne omstandigheden het verstand plotseling inzicht krijgt in complexe causale ketens, of verborgen oorzaken van duizend keer waargenomen fenomenen, of nog nooit betreden, duistere wegen die plotseling helder worden. —
Door de bovenstaande uiteenzettingen van de processen van het tasten en zien is onweerlegbaar aangetoond dat de empirische waarneming in wezen het werk van het verstand is, waarbij de zintuigen slechts de, over het algemeen schamele, stof leveren via hun gewaarwordingen. Het verstand is de scheppende kunstenaar, terwijl de zintuigen slechts als handlangers het materiaal aanreiken. Het proces van het verstand bestaat steeds uit het overgaan van gegeven gevolgen naar hun oorzaken, die zich dan pas als objecten in de ruimte manifesteren. De voorwaarde hiervoor is de wet van de causaliteit, die noodzakelijkerwijs door het verstand zelf moet worden toegevoegd, aangezien deze nooit van buitenaf kan zijn gekomen. Het is immers de eerste voorwaarde voor elke empirische waarneming, en deze waarneming is de vorm waarin alle uiterlijke ervaring zich voordoet. Hoe zou het dan eerst uit de ervaring kunnen worden afgeleid, terwijl het zelf de essentiële voorwaarde van die ervaring is? — Juist omdat dit onmogelijk is, en Locke's filosofie elke vorm van aprioriteit had afgeschaft, ontkende Hume de hele realiteit van het causaliteitsbegrip. Hij vermeldde daarbij reeds (in het zevende essay van zijn Essays on Human Understanding) twee valse hypotheses, die in onze tijd opnieuw zijn opgeworpen: de ene stelt dat de werking van de wil op de ledematen van het lichaam, en de andere dat de weerstand die lichamen ons bieden bij het uitoefenen van druk op hen, de oorsprong en het prototype van het causaliteitsbegrip vormen. Hume weerlegt beide in zijn eigen stijl en binnen zijn kader. Ik doe dit als volgt: tussen de wilsdaad en de lichamelijke actie bestaat helemaal geen causale relatie; in plaats daarvan zijn beide direct één en hetzelfde, dat op twee manieren wordt waargenomen: eenmaal in het zelfbewustzijn, of innerlijke zin, als wilsdaad; en tegelijkertijd in de uiterlijke, ruimtelijke hersenwaarneming, als lichamelijke actie. (Vergelijk De Wereld als Wil en Voorstelling.) — De tweede hypothese is onjuist, ten eerste omdat, zoals hierboven uitvoerig is aangetoond, een loutere gewaarwording van de tastzin nog helemaal geen objectieve waarneming oplevert, laat staan het causaliteitsbegrip. Dit begrip kan nooit voortkomen uit het gevoel van een verhindering van lichamelijke inspanning, die vaak zonder enige externe oorzaak kan optreden. Ten tweede is de hypothese onjuist omdat ons aandringen tegen een extern object een motief moet hebben, en dit motief vereist reeds de waarneming van dat object, wat op zijn beurt de kennis van causaliteit veronderstelt. De onafhankelijkheid van het causaliteitsbegrip van elke ervaring kon echter alleen afdoende worden aangetoond door de afhankelijkheid van elke ervaring van het begrip causaliteit, in haar hele mogelijkheid, te bewijzen; zoals ik dit hierboven heb gedaan. Dat Kants bewijs, dat met hetzelfde doel was opgesteld, verkeerd is, zal ik in §23 aantonen.
Het is hier ook de juiste plek om erop te wijzen dat Kant de bemiddeling van de empirische waarneming door de wet van causaliteit, die ons voorafgaand aan alle ervaring bewust is, óf niet heeft ingezien, óf deze opzettelijk heeft vermeden omdat het niet in zijn plan paste. In de Kritik der reinen Vernunft wordt de relatie van causaliteit tot de waarneming niet besproken in de elementaire leer, maar op een plek waar men het niet zou verwachten, namelijk in het hoofdstuk over de paralogismen van de zuivere rede, en dan specifiek in de kritiek op de vierde paralogismus van de transcendentale psychologie, uitsluitend in de eerste druk, op pagina 367 en verder. Alleen al het feit dat hij dit betoog op deze plaats heeft neergezet, laat zien dat hij, bij het beschouwen van deze relatie, steeds de overgang van verschijning naar het ding op zichzelf in gedachten had, en niet de totstandkoming van de waarneming zelf. Dienovereenkomstig zegt hij hier dat het bestaan van een werkelijk object buiten ons niet direct in de waarneming gegeven is, maar er als een externe oorzaak van wordt bijgedacht, en dat er dus een conclusie uit getrokken moet worden. Degene die dit doet, beschouwt hij echter als een transcendentale realist, en die is dus op het verkeerde pad. Want onder "het uiterlijke object" verstaat Kant hier al het ding op zichzelf. De transcendentale idealist daarentegen blijft stilstaan bij de waarneming van een empirisch reëel, d.w.z. iets dat zich in de ruimte buiten ons bevindt, zonder dat hij, om dit realiteit te geven, eerst naar een oorzaak daarvan hoeft te zoeken. De waarneming is namelijk bij Kant iets volledig direct gegeven, dat zonder enige hulp van de causale verbinding, en dus zonder tussenkomst van het verstand, tot stand komt: hij identificeert het namelijk direct met de gewaarwording. Dit wordt bevestigd op pagina 371, waar hij stelt: "Ik heb, wat betreft de werkelijkheid van uiterlijke objecten, net zo min nodig..." enzovoort, en op pagina 372: "Men kan wel toegeven dat..." enzovoort. Uit deze passages blijkt volkomen duidelijk dat bij Kant de waarneming van uiterlijke dingen in de ruimte voorafgaat aan elke toepassing van de wet van causaliteit, en deze wet dus niet als element en voorwaarde deel uitmaakt van die waarneming: de pure zintuiglijke gewaarwording is bij hem onmiddellijk waarneming. Alleen wanneer men vraagt naar wat, in transcendentale zin, buiten ons kan zijn, dat wil zeggen naar het ding op zichzelf, komt causaliteit in de waarneming aan de orde. Kant beschouwt verder de wet van causaliteit als iets dat uitsluitend bestaat in reflectie, d.w.z. in abstract, helder begrip, en heeft daarom geen idee dat de toepassing ervan aan alle reflectie voorafgaat, wat toch duidelijk het geval is, met name bij de empirische zintuiglijke waarneming, die anders nooit zou kunnen plaatsvinden; zoals mijn bovengenoemde analyse daarvan onweerlegbaar bewijst. Daarom moet Kant de totstandkoming van de empirische waarneming geheel onverklaard laten: voor hem is het alsof deze als een wonder gegeven is, puur een zaak van de zintuigen, en valt dus samen met de gewaarwording. Ik hoop van harte dat de denkende lezer de aangehaalde passage van Kant erop naslaat, zodat hem duidelijk wordt hoe veel juister mijn opvatting van het geheel en het verloop is. Die uiterst gebrekkige Kantiaanse opvatting heeft sindsdien in de filosofische literatuur standgehouden, omdat niemand het aandurfde om haar aan te raken, en ik heb hier voor het eerst orde moeten scheppen, wat nodig was om helderheid te brengen in het mechanisme van ons kennen.
Overigens heeft, door mijn correctie van de kwestie, de door Kant gestelde idealistische grondgedachte absoluut niets aan kracht verloren; integendeel, zij heeft zelfs gewonnen, voor zover bij mij de eis van de wet van causaliteit opgaat in de empirische waarneming als haar product en daarmee vervalt, zodat zij niet langer kan worden aangevoerd voor een volledig transcendente vraag naar het ding op zichzelf. Als we namelijk terugkijken op mijn bovenstaande theorie van de empirische waarneming, dan zien we dat het eerste gegeven daarvan, de zintuiglijke gewaarwording, een volledig subjectief proces is, iets dat binnen het organisme plaatsvindt, omdat het zich onder de huid afspeelt. Dat deze gewaarwordingen van de zintuigen, zelfs als wordt aangenomen dat ze door externe oorzaken worden opgewekt, toch in geen enkel opzicht kunnen lijken op de aard van die oorzaken—de zoetheid van suiker lijkt niet op suiker zelf, de rozengeur niet op de roos—heeft Locke al uitgebreid en grondig aangetoond. Maar zelfs dat deze gewaarwordingen überhaupt een externe oorzaak moeten hebben, berust op een wet waarvan de oorsprong aantoonbaar in ons, in ons brein, ligt, en is dus uiteindelijk niet minder subjectief dan de gewaarwording zelf. Ja, zelfs de tijd, deze eerste voorwaarde voor de mogelijkheid van elke verandering, dus ook die waarvoor het toepassen van het causaliteitsbegrip pas noodzakelijk wordt; evenzo de ruimte, die het verplaatsen van een oorzaak naar buiten mogelijk maakt, zodat deze oorzaak zich daar als object kan voordoen, is, zoals Kant overtuigend heeft aangetoond, een subjectieve vorm van het intellect. We vinden dus dat alle elementen van de empirische waarneming in onszelf liggen en dat er niets in zit dat ondubbelzinnig verwijst naar iets wat absoluut van ons verschilt, een ding op zichzelf. — Maar er is nog meer: onder het begrip materie verstaan we datgene wat van lichamen overblijft wanneer we ze ontdoen van hun vorm en van al hun specifieke eigenschappen, hetgeen om die reden in alle lichamen precies hetzelfde en één en hetzelfde moet zijn. Die door ons opgeheven vormen en eigenschappen zijn echter niets anders dan de bijzondere en specifiek bepaalde wijze van werking van de lichamen, die juist hun onderlinge verschillen uitmaken. Dus wanneer we die buiten beschouwing laten, is wat er dan nog overblijft de zuivere werkzaamheid als zodanig, de puurheid van het werken zelf, objectief gedacht—met andere woorden, de weerspiegeling van ons eigen verstand, het naar buiten geprojecteerde beeld van zijn enige functie; en materie is volledig doortrokken van zuivere causaliteit: haar wezen is louter werkzaamheid. (Vergelijk Welt als Wille und Vorstellung, Bd. I, § 4, S. 9; en Bd. 2, S. 48, 49) Om deze reden kan de zuivere materie dan ook niet waargenomen worden, maar slechts gedacht: zij is iets dat, als basis van elke realiteit, erbij gedacht wordt.
Want zuivere causaliteit, louter werkzaamheid zonder specifieke wijze van werking, kan niet aanschouwelijk worden gegeven, en komt daarom in geen enkele ervaring voor. — Materie is dus enkel het objectieve correlatief van het pure verstand, namelijk causaliteit in het algemeen en niets anders; zoals het verstand het directe kennen van oorzaak en gevolg in het algemeen is en niets anders. Juist daarom kan op de materie zelf de wet van causaliteit geen toepassing vinden: d.w.z. zij kan noch ontstaan, noch vergaan, maar is en blijft. Omdat alle veranderingen van accidentia (vormen en kwaliteiten), d.w.z. alle ontstaan en vergaan, slechts mogelijk zijn door causaliteit, en materie de zuivere causaliteit op zichzelf is, objectief opgevat, kan zij haar macht niet op zichzelf uitoefenen; zoals het oog alles kan zien, behalve zichzelf. Daar bovendien "substantie" identiek is met materie, kan men zeggen: substantie is werkzaamheid abstract opgevat; accidentia is de specifieke wijze van werkzaamheid, de werkzaamheid in concreto. — Dit zijn dus de resultaten waartoe het ware, d.w.z. het transcendentaal idealisme leidt. Dat wij het ding op zichzelf, d.w.z. datgene wat überhaupt ook buiten de voorstelling bestaat, niet via de weg van de voorstelling kunnen bereiken, maar dat we daarvoor een heel andere weg moeten inslaan, die ons door het binnenste van de dingen leidt en ons als het ware door verraad toegang tot de vesting verschaft, heb ik in mijn hoofdwerk aangetoond. —
Als men echter de hier gegeven, eerlijke en diepgaande analyse van de empirische waarneming in haar elementen, die allemaal als subjectief blijken te zijn, zou willen vergelijken of zelfs identificeren met Fichte's algebraïsche vergelijkingen tussen Ik en Niet-Ik, met zijn sofistische schijnbewijzen, die de sluier van onbegrijpelijkheid, ja zelfs van waanzin nodig hadden om de lezer te misleiden, met de verklaringen over hoe het Ik het Niet-Ik uit zichzelf voortbrengt, kortom, met alle capriolen van de Wissenschaftslehre; dan zou dit een duidelijke manipulatie en niets anders zijn. Tegen elke associatie met deze Fichte verzet ik mij, net zoals Kant publiekelijk en expliciet protesteerde in een mededeling ad hoc in de Jenaer Literaturzeitung tegen Fichte. (Kant: "Verklaring over Fichte's Wissenschaftslehre", in het Intelligenzblatt der Jenaer Literaturzeitung, 1799, nr. 109.) Laat Hegelianen en soortgelijke onwetenden maar spreken van een Kant-Fichteaanse filosofie: er bestaat een Kantiaanse filosofie en een Fichteaanse luchtspiegeling, — dat is de ware stand van zaken en dat zal zo blijven, ondanks alle lofprijzingen van het slechte en verachters van het goede, waar het Duitse vaderland rijker aan is dan welk ander land ook.