Deze elementaire filosofische verhandeling, die voor het eerst in het jaar 1813 verscheen en waarmee ik mijn doctorsgraad behaalde, is later de basis van mijn hele systeem geworden. Daarom mag ze niet ontbreken in de boekhandel; iets wat, zonder dat ik het wist, al vier jaar het geval is geweest.
Nu echter deze jeugdige poging opnieuw met al haar onvolkomenheden en fouten de wereld in te sturen, leek me onverantwoordelijk. Ik overweeg namelijk dat de tijd waarin ik niets meer zal kunnen verbeteren niet ver weg kan zijn, maar met die tijd zal de periode van mijn daadwerkelijke werkzaamheid pas echt beginnen. Ik koester de hoop dat deze een lange zal zijn, in het vaste vertrouwen op de belofte van Seneca: _etiam si omnibus tecum viventibus silentium livor indixerit; venient qui sine offensa, sine gratia judicent_ (_Epistulae Morales_ 79) [zelfs al hebben allen die met je leven uit afgunst stilzwijgen opgelegd, er zullen er komen die zonder belediging of gunst zullen oordelen].
Daarom heb ik, voor zover het mogelijk was, deze jeugdige verhandeling aangepast en moet zelfs, gezien de kortheid en onzekerheid van het leven, het als een bijzonder geluk beschouwen dat het me gegund was op zestigjarige leeftijd te corrigeren wat ik op zesentwintigjarige leeftijd had geschreven.
Toch was het mijn bedoeling om mijn jonge zelf zoveel mogelijk vrij te laten spreken en zijn verhaal te laten doen. Maar daar waar hij onjuiste of overbodige zaken naar voren bracht, of het beste terzijde liet liggen, moest ik hem wel onderbreken; en dit gebeurde vaak genoeg. Zo zal menigeen misschien de indruk krijgen dat het lijkt alsof een oude man het boek van een jongeman voorleest, maar het vaak laat zakken om zelf uitweidingen te houden over het onderwerp.
Het is gemakkelijk in te zien dat een werk dat op deze manier en na zo lange tijd verbeterd is, nooit de eenheid en afronding kan bereiken die alleen werken uit één stuk eigen is. Zelfs in stijl en toon zal een dergelijke onmiskenbare variëteit merkbaar zijn, dat de fijngevoelige lezer waarschijnlijk nooit zal twijfelen of hij de oude of de jonge auteur hoort. Er is immers een groot verschil tussen de zachte, bescheiden toon van de jonge man, die vol vertrouwen zijn zaak naar voren brengt, omdat hij nog naïef genoeg is om serieus te geloven dat iedereen die zich met filosofie bezighoudt, alleen maar op zoek is naar de waarheid, en dat wie deze bevordert dus welkom zal zijn; — en de vastberaden, soms wat ruwe stem van de oude man, die uiteindelijk heeft moeten inzien in wat voor een nobele gezelschap van ambachtslieden en onderdanige huichelaars hij terecht is gekomen, en wat hun eigenlijke bedoeling is. Ja, als hij nu af en toe verontwaardigd lijkt, zal de billijke lezer hem dat niet kwalijk nemen; het is immers inmiddels wel gebleken wat er gebeurt als men met de mond belijdt naar waarheid te streven, maar voortdurend de intenties van hogere autoriteiten in de gaten houdt; en wanneer bovendien, aan de andere kant, de stelregel _e quovis ligno fit Mercurius_ zelfs op de grote filosofen wordt toegepast, en zodoende een lompe charlatan zoals Hegel zonder aarzelen tot een dergelijke wordt bestempeld. De Duitse filosofie is namelijk in verachting beladen, bespot door het buitenland, verstoten door de eerlijke wetenschappen, — gelijk een hoer die zich voor schamel loon gisteren aan de een en vandaag aan de ander heeft verkocht; en de geesten van de huidige generatie geleerden zijn ontregeld door Hegeliaanse onzin: ongeschikt om te denken, ruw en bedwelmd, zullen zij de prooi worden van de platte materialistische filosofie, die uit het ei van de basilisk is gekropen. Veel geluk ermee! Ik keer terug naar mijn onderwerp.
Over het verschil in toon moet men zich dus maar troosten: ik kon hier niet, zoals ik bij mijn hoofdwerk heb gedaan, de latere toevoegingen apart bijvoegen; het komt er toch ook niet op aan of men weet wat ik op zesentwintig- en wat ik op zestigjarige leeftijd heb geschreven; maar alleen dat degenen die zich willen oriënteren, vestigen en helder willen worden over de grondbegrippen van alle filosoferen, in deze enkele bladzijden een boekje vinden waarin ze iets degelijks, solieds en waars kunnen leren: en dat, hoop ik, zal het geval zijn. Bij de uitvoering hebben sommige delen nu zelfs een beknopte theorie van het gehele kenvermogen gekregen, die, terwijl zij steeds de wet van de toereikende grond volgt, de zaak vanuit een nieuwe en eigenaardige hoek belicht, en verder wordt aangevuld door het eerste boek van _De wereld als wil en voorstelling_, met de bijbehorende hoofdstukken van het tweede deel, en door de _Kritiek van de Kantiaanse filosofie_.
Frankfurt a.M., september 1847.